Verlangen naar valse echtheid

Jean-Jacques Rousseau, die 300 jaar geleden werd geboren, was een wandelende paradox: een Verlichtingsfilosoof die zich tegen de Verlichting keerde. We herkennen meer in hem dan ons lief is. Juist dat wat de mens tot mens maakt, blijkt de mens te gronde te richten.

ij is niet de sympathiekste of betrouwbaarste Verlichtingsfilosoof, maar wel op afstand de fascinerendste: Jean-Jacques Rousseau (1712-1772). Een vat vol tegenstrijdigheden, een wandelende paradox, op wie je niet gauw uitgekeken raakt. Vanuit de Verlichting (Rousseau werkte mee aan de Encyclopédie) keerde hij zich tegen de Verlichting en werd zo de geestelijke vader van de Romantiek. Hij stond op de tweesprong van de westerse moderniteit. Sindsdien zijn we verlicht en romantisch tegelijk, een vaak verwarrende verdeeldheid. In Rousseau kunnen we meer herkennen dan ons lief is.

Die ongemakkelijke herkenning vormt de inzet van Maarten Doormans vlot geschreven essay Rousseau en ik, dat zich concentreert op het vraagstuk van de authenticiteit. Blijkens de ondertitel gaat het zelfs om een soort ‘erfzonde’. Wat kan daarmee bedoeld zijn? Doorman beroept zich op Rousseau, die in 1749 tot de ontdekking was gekomen dat de vooruitgang van kunsten en wetenschappen de mens niet beter had gemaakt. Integendeel, moreel was het met de mens bergafwaarts gegaan; hij was volkomen vervreemd geraakt van zijn in oorsprong goede natuur. In de moderne wereld deed iedereen zich anders voor dan hij of zij was, iedereen speelde een rol, de schijn had het gewonnen van het wezen.

In zijn Discours sur l’origine de l’inégalité (1755) komt Rousseau met een quasi-historische verklaring, waarin de uitvinding van het eigendom een fatale plaats inneemt. Het onderscheid tussen bezitters en bezitlozen had alles op zijn kop gezet, met als gevolg dat vooruitgang in de praktijk neerkwam op verval. Tegelijkertijd realiseerde Rousseau zich heel goed dat de geschiedenis onomkeerbaar was. Sterker nog, de gelukzalige natuurtoestand die aan het verval vooraf ging, had waarschijnlijk nooit gestaan. Hij wordt in elk geval uitdrukkelijk gepresenteerd als een ‘hypothese’. Rousseau heeft hem nodig als criterium om het heden te kunnen beoordelen. En hij vertegenwoordigt, zoals Doorman schrijft, een ‘opdracht’, een ‘ideaal’. Daarmee was het verlangen naar authenticiteit geboren, een verlangen naar een natuurlijke echtheid en waarachtigheid die verloren zijn gegaan.

Hoezeer dat verlangen ons nog altijd in de greep houdt, weet Doorman overtuigend aan te tonen. In de reclame belooft men overal the real thing, politici moeten als warme, spontane, ‘echte’ mensen overkomen (hun boodschap is daaraan ondergeschikt), in het onderwijs staat de zelfontplooiing van de leerling voorop, in de kunsten blijft originaliteit een onmisbare maatstaf, op tv struikel je over de reality-programma’s.

Bij sommige voorbeelden schoot ik in de lach, zoals bij de Amerikaan die de toeristenwinkel van Sijtje Boes op Marken zo authentiek vond omdat het de eerste toeristenwinkel in ons land zou zijn. Maar erg nieuw of verrassend kan deze cultuurkritische exercitie moeilijk genoemd worden, net zo min als de koppeling van dit alles aan het gedachtegoed van Rousseau.

Interessanter is de vraag waar het verlangen naar authenticiteit vandaan komt. Helaas geeft Doorman daarop geen helder antwoord. Het blijft bij een behandeling van enkele intellectuele bronnen (Descartes, Augustinus) en verderop in het essay komen terloops een paar suggesties voorbij. Doorman citeert bijvoorbeeld Andrew Potter, wiens The authenticity hoax uit 2010 zijn eigen betoog als een sparringpartner begeleidt. Volgens Potter gaat het om het herstel van een ‘eenheid [...] die door de modernisering verloren heet te zijn gegaan’.

Doorman zelf vindt dat we leven ‘in een periode van verveling en nostalgie’ en daarom naar echtheid verlangen. Het klinkt even vaag als Potters antwoord, en was iedereen in Rousseaus tijd ook al verveeld en nostalgisch? Duidelijk is alleen dat we blijkbaar iets missen, waarvan we geloven dat het er ooit wél was.

De vraag is of dat niet altijd en overal zo is geweest. Welk tijdperk, welke cultuur kent niet de mythe van een verloren paradijs of gouden tijdperk? Vaak inclusief de belofte van een terugkeer na de dood. Het nieuwe van de moderniteit is dat die terugkeer binnen het aardse leven werd beloofd. De Verlichting geloofde in een werelds (in plaats van hemels) geluk, al betekent dat allerminst dat alle Verlichtingsdenkers naïeve optimisten waren.

Het is dit geloof dat Rousseau in het hart trof. Want bij hem is de oorzaak van alle ellende niet het eigendom of de vervreemding (dat zijn gevolgen), maar wat hij noemt: de perfectibilité, de vervolmaakbaarheid van de mens. Strikt genomen vergist Doorman zich als hij de authenticiteit gelijkstelt aan de ‘erfzonde’; voor Rousseau, die overigens niets op had met de christelijke idee van een erfzonde, was deze perfectibilité de grote boosdoener.

Doorman maakt terecht veel werk van de paradoxen in Rousseaus werk en leven. Des te vreemder is het dat hij deze paradox, misschien wel de grootste van allemaal, over het hoofd heeft gezien: juist dat wat de mens tot mens maakt, zijn vermogen zichzelf te ontwikkelen, blijkt hem te gronde te richten. Hopelozer kun je het menselijk tekort niet onder woorden brengen.

Rousseau heeft niettemin een serieuze poging gedaan, toen hij in 1762 in een brief aan Malesherbes schreef: ‘Wanneer al mijn dromen werkelijkheid zouden zijn geworden, dan nog zou het niet genoeg zijn: ik zou nog altijd blijven fantaseren, dromen, verlangen. Ik vind in mij een onverklaarbare leegte die niets zal kunnen vullen’. Rousseau zoekt vervolgens de oplossing in een extatische identificatie met het Opperwezen. De hang naar authenticiteit zou je de huidige oplossing kunnen noemen.

In beide gevallen gaat het om een schijnoplossing, want die authenticiteit bestaat evenmin als dat Opperwezen; er is alleen een oneindig, nooit helemaal te bevredigen verlangen dat pas ophoudt met de dood. Doorman laat in Rousseau en ik goed zien hoe het streven naar echtheid en authenticiteit juist tot het tegendeel leidt, tot gekunsteldheid en bedrog. Met grote instemming las ik zijn diagnose van het huidige onderwijs, waar het dogma van de zelfontplooiing een heel programma van manipulatie in het leven heeft geroepen. Daar komen al die vreselijke managers en onderwijskundigen dus vandaan. Doorman: ‘Hoe natuurlijker het ‘‘leerproces’’, des te manipulatiever en bureaucratischer het onderwijs wordt’. Een waar woord, en Rousseaus pedagogisch traktaat Émile (1762) leverde er meer dan twee eeuwen geleden de inspiratie voor.

Weg met de authenticiteit dan? Zo makkelijk is het ook weer niet. Op dit punt, jammer genoeg pas tegen het eind, wordt Doormans essay spannend, want zoals hij eerder al weigerde om Rousseau als een simpele hypocriet af te serveren, bekent hij nu het verlangen naar authenticiteit niet te willen en kunnen missen. Rousseaus paradoxen zitten, zogezegd, in zijn en onze moderne genen.

Dat wil niet zeggen dat Doorman alle gekkigheid van Rousseau en diens erfenis kritiekloos omarmt. Maar wat is er tegen het genot van de open haard, tegen het eten van natuurlijk (‘biologisch’) voedsel of tegen het behoud van zinvolle natuur- en cultuurmonumenten, ook al leidt dat soms tot ‘surrealistische’ praktijken, zoals bij de restauratie van het kamp Westerbork?

Op zoek naar een redelijk compromis, klopt Doorman op de laatste bladzijden van zijn essay aan bij Potter, Charles Taylor en Alessandro Barrico. Met als resultaat een haastig in elkaar gezette constructie, waarin vooruitgang, geschraagd door gemeenschap en traditie, en beoordeeld met ‘kwaliteit’ als criterium, het tegenwicht moet bieden aan het blinde verlangen naar authenticiteit.

Hoe provisorisch en abstract het ook klinkt, ik ben het er helemaal mee eens en ook Rousseau (die op zijn tijd heel pragmatisch conservatief kon zijn) draait zich niet om in het graf – zolang we de lege afgrond in onszelf maar niet vergeten, die Rousseau onthuld heeft en die door geen kwaliteit, gemeenschap, traditie of vooruitgang valt te dichten.

Maarten Doorman: Rousseau en ik. Over de erfzonde van de authenticiteit. Bert Bakker. 140 blz. €15,-