Column

Open brief aan de Taalunie

Geachte Dames en Heren van de Taalunie, leden van de jury van de Prijs der Nederlandse Letteren,

Ik ontving ik het persbericht waarin u meldt voorbereidingen te treffen voor de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren 2012. Na vier Nederlanders op rij zult u wel weer eens een Vlaming willen bekronen. Maar wie? Boon is dood, Claus heeft ’m al, Peter Terrin is te jong en Tom Lanoye heeft het te druk met de Boekenweek. Ik zou u daarom graag een suggestie doen: Herman Brusselmans.

Nu denkt u: die man maakt een grapje.

Maar nee, ik maak geen grapje. Natuurlijk is het zo dat Herman Brusselmans al een jaar of dertig romans schrijft die sprekend op elkaar lijken, dat er zogezegd geen ‘ontwikkeling’ zit in zijn oeuvre – het is eigenlijk al vijftig (of zestig?) boeken heel veel meligheid over het eigen leven. En dan zijn er ook nog de scheldpartijen.

Maar veel belangrijker is dat het nooit lukt om Brusselmans te lezen zonder hardop te lachen, ook bij zijn vandaag verschenen nieuwe roman Watervrees tijdens een verdrinking niet. Daarin schrijft hij over zijn leven nu zijn vrouw Phoebe hem verlaten heeft. Hij zoekt vertroosting in het café, wat hij ook al deed toen zij nog bij hem was. En als altijd grijpt in de loop van deze Brusselmansroman de eenzaamheid van de man je bij de strot – ook toen zijn vrouw hem nog niet had verlaten.

Nu denkt u: waarom schrijft die man geen recensie? Maar het probleem van de Brusselmansrecensent is dat hij het allemaal al heel vaak heeft opgeschreven en dat dat nooit geleid heeft tot maar het kleinste prijsje voor Herman Brusselmans. Ooit kreeg hij de Yang-prijs, die hij moest delen met Lut de Block – u weet wel. Brusselmans is te zeer een oeuvrebouwer voor een losse boekenprijs: alle romans lijken eender, maar het geheel is groter dan de som der delen. Stiekem hebben alle Nederlandse en Vlaamse schrijvers de laatste dertig jaar bij hem afgekeken hoe je een lezer aan het lachen maakt.

Aarzelt u dus niet, en geeft u Herman Brusselmans de Prijs der Nederlandse Letteren voor het te laat is. Zijn vrouw is al weg, hij heeft al etalagebenen – straks kan het niet meer.

Nu denkt u: hier komt de relativering. Maar die komt niet. Ik meen het. Ik ben Herman Brusselmans niet.

Hoogachtend,