Neelie Kroes was te streng voor ING

ING moest van de Nederlandse eurocommissaris Neelie Kroes worden opgesplitst nadat het bedrijf tijdens de financiële crisis in 2008 steun van de staat had ontvangen. De Europese rechter stelt nu dat die beslissing is gebaseerd op verkeerde cijfers. Onduidelijk is of ING de afgedwongen verkoop van verzekeraar Nationale Nederlanden nu nog doorzet.

Hoeft ING alsnog zijn verzekeringsactiviteiten, waaronder Nationale Nederlanden, niet af te stoten? Dat is de hamvraag nu het Gerecht van de Europese Unie in Luxemburg een streep heeft gehaald door een besluit van de Europese Commissie uit 2009.

De Nederlandse staat en ING gingen in 2009 schoorvoetend akkoord met de voorwaarden die Brussel stelde aan de miljardensteun die gegeven werd aan de bank en verzekeraar (zie kader), maar zij gingen ook tegen dit besluit in beroep bij de rechter. Een zwak verhaal, volgens critici. Dan had je daar maar niet mee moeten instemmen. Maar hoe kan een financiële instelling in een noodsituatie zich tegen te harde eisen van de Europese Commissie teweer stellen?

ING stemde in 2009 in met de opdracht om zichzelf vrijwel te halveren. Grote concerns die op staatssteun leunen verpesten de markt, zo redeneerde de Europese Commissie. Een balanstotaal van 1376 miljard euro per 30 september 2008 moest met 45 procent gereduceerd worden tot 759 miljard euro.

Veel te rigoureus, volgens ING en de Nederlandse staat. De Nederlandsche Bank is het eens met die kritiek. De toezichthouder heeft zich later in de procedure gevoegd waarin de rechter vanochtend uitspraak heeft gedaan, een unieke stap voor een nationale toezichthouder. De voorgeschreven halvering van ING bleek alleen mogelijk door de verzekeringstak te verkopen en nog wat bedrijfsonderdelen. Bestuursvoorzitter Jan Hommen heeft er sindsdien zijn handen vol aan.

Vorige maand werd internetbank ING Direct in de Verenigde Staten voor 9 miljard dollar (6,9 miljard euro) verkocht, de WestlandUtrecht Bank staat al een tijdje in de etalage, net als verzekeraar Nationale Nederlanden en de Aziatische verzekeringspoot. De uitverkoop is pijnlijk, want er bestaat nauwelijks een slechter denkbaar moment om een verzekeringsbedrijf te verkopen.

De laatste tussenstand van de uitverkoop bij ING: een balanstotaal van 899 miljard euro – 35 procent kleiner dan aan het begin van de kredietcrisis. De bankverzekeraar heeft nog 140 miljard euro te gaan.

Voor de rechter noemde ING de opgelegde maatregelen „buitensporig” en „disproportioneel”. De Europese Commissie toetste niet secuur en gebruikte de verkeerde formules, is de kritiek. Daardoor moest ING veel meer concessies doen dan directe concurrenten zoals de Royal Bank of Scotland, het Britse Lloyds, het Belgische KBC en het Nederlandse SNS Reaal. De Europese Commissie baseerde een van haar besluiten op sterk verouderde cijfers uit 2006, terwijl ING cijfers uit 2009 had aangeleverd. Vorig jaar erkende de advocaat van de Europese Commissie op de zitting dat de meest recente cijfers inderdaad door tijdgebrek niet waren gebruikt.

Maar de rechter is aan al deze fundamentele kritiek niet eens toegekomen. Omdat Brussel een tussentijdse aanpassing van een terugbetalingsregeling ten onrechte kwalificeerde als staatssteun (2 miljard euro), is op voorhand duidelijk dat besluiten van de Commissie berusten op een onjuiste „premisse”. Het lijkt een technisch punt, maar dat kan wel eens belangrijker zijn dan het op het eerste gezicht lijkt. Was het niet juist die 2 miljard euro die Brussel, naar nu blijkt, ten onrechte meetelde waardoor ING in een veel zwaarder strafregime terechtkwam?

Voor De Nederlandsche Bank is het vooral van belang dat er meer duidelijkheid komt in het niemandsland waar de belangen van een eerlijke markt (mededinging) en die van een gezond financieel stelsel botsen. Wat telt zwaarder: het oordeel van de Europese Commissie over gezonde marktverhoudingen in Europa of het belang van een betrouwbaar financieel systeem waarin banken soms snel steun nodig hebben?

Daarover heeft de rechter met deze uitspraak nog geen duidelijkheid geschapen. Bas Rooijmans van De Nederlandsche Bank: „Dit is niet goed geregeld in Europa. Een financiële instelling kan het zich niet veroorloven om nog negen maanden lang te onderhandelen over de voorwaarden van een reddingsoperatie. Dat kan misschien wel bij een frisdrankfabrikant, maar niet bij een bank die op vertrouwen drijft. Toezicht op mededinging is ooit ingesteld om de belangen van de consument te beschermen. Maar wat heb je er in dit soort gevallen aan als de consument zijn zin krijgt, maar vervolgens alle spaarders hun geld kwijt zijn?”

De centrale bank pleit voor een soort onafhankelijke arbiter die tijdens onderhandelingen tussen de Europese Commissie en een te hulp schietende lidstaat de impasse kan doorbreken.

Misschien nog handiger is de route die de Fransen in Brussel bewandelden. ING heeft het nadeel dat zij een van de eerste instellingen was die in Europa voor de bijl ging. Dan valt er weinig meer af te stemmen. De Franse banken, die van oudsher meer verweven zijn met de overheid, regelden dat iets beter. Zij hadden iets meer tijd en bereidden hun zaak daardoor beter voor bij de Europese Commissie. Daar werd alles uitgebreid vooraf gesondeerd. De Franse overheid gaf alle Franse banken vervolgens een beetje steun waardoor geen partij bevoordeeld werd en Brussel geen eisen stelde.