Mevrouw, wees winnaar!

Clare Conville, Sarah-Jane Lovett en Liz Hoggard: Gevaarlijke vrouwen. Een gids voor het moderne leven. Vertaling Henny Corver. De Bezige Bij, 288 blz. € 18,90

Caitlin Moran: How To Be a Woman. Vrouw zijn, hoe doe je dat? Vertaling Petra C. van der Eerden. De Arbeiderspers, 320 blz. € 19,95

Het blijft vreemd om over jezelf als soort te lezen. Boek na boek verschijnt er over de vrouw van nu, over wie zij is en wat zij wil. Als onderwerp en geadresseerde heb je dan al gauw de neiging om wat erin staat op jezelf te betrekken – en als het al lukt, blijf je achter met een ontevreden gevoel. Aan ons schijnt behoorlijk wat te mankeren. We zijn neurotisch en onpraktisch. We vinden schoenen belangrijker dan pensioenen. We eten te veel, vooral chocola, en doen dan weer vergeefs aan de lijn. Enzovoort. Uitzonderingen krijgen geen ruimte, op een paar zeer succesvolle types na. De rest wordt gesmoord onder een roze deken van collectieve zwaktes.

In een boek met als titel Gevaarlijke vrouwen verwacht je dat dit beeld eens goed onderuit gehaald wordt, maar helaas: de auteurs van deze Britse ‘gids voor het moderne leven’ komen met een heel alfabet aan clichés, van auto’s (‘Ben je single, dan moet je een man bij de hand hebben die een bougie van een V-snaar kan onderscheiden’) tot geweld tegen vrouwen (‘Nooit pikken’) en trampolinespringen (‘Goed voor je figuur en cholesterolverlagend’).

Een ratjetoe van tips waaruit je alleen maar de treurige conclusie kunt trekken dat vrouwen kennelijk op heel veel gebieden het spoor bijster zijn, en graag koketteren met hun eigen tekortkomingen

Komisch

Dit tentoonstellen van de eigen gebreken is een van de wijdverbreide, sociaal geaccepteerde fenomenen die The Times-columniste Caitlin Moran (1975) ontleedt en bestrijdt. In haar onlangs vertaalde, komische manifest How To Be a Woman schrijft ze dat zolang vrouwen zichzelf als onaf en onvolmaakt blijven zien, ze vatbaar zullen blijven voor tijd- en geldverslindende nonsens als laserbehandelingen, designerpumps en wonderdiëten.

Wat Moran daar tegenover stelt is niet nieuw, maar als tegenwicht voor de hausse aan columnisten en schrijfsters met een zo’n ‘O help, ik ben een vrouw’-toontje is ze een verademing. Moran vindt dat vrouwen moeten ‘doorpakken, hard werken en zich moeten gedragen om iets te bereiken’. In plaats van zich druk te maken over wie, wat en hoe ze zijn, roept ze vrouwen op om zich ‘geen donder van al die onzin aan te trekken’ en iets te gaan doen.

Geestig

Moran, twee jaar geleden winnares van de British Press Award voor columnist van het jaar, is een energiek en geestig pleitbezorgster van het feminisme, dat volgens haar toe is aan een grootse comeback. Bij vrouwen én bij mannen, want het patriarchaat ‘moet nu toch afgepeigerd zijn. Mannen zijn al 100.000 jaar aan de macht, zonder koffiepauze’.

Morans eigen man, de als ideale beste vriend omschreven Pete, ondersteunt haar feminisme in elk geval van harte. Moran vond hem na een geflopte relatie met een narcistische muzikant in haar tienerjaren. Van hem had ze zo graag de muze willen zijn, maar hij gaf haar vooral een miserabel gevoel. Dat hoorde erbij, dacht ze. Net als ‘vrouw worden’ zag ze liefde als een klus, een met grote inspanning te kraken code. Haar ontspannen vertrouwensband met Pete hielp haar om ook dat idee overboord te gooien.

Nu is Moran moeder van twee dochters, draagt ze louter herenlaarzen en stevige Dr Martens schoenen – ‘Ik wil geen tenen die eruitzien als softenonpasteitjes’ – en verheugt ze zich op een oudedamesgezicht vol ‘fronsrimpels en vermoeidheid en roomgele tanden’.

Morans grootste bijdrage aan het feminisme is niet haar originaliteit, maar haar gevatte, komische stijl. Ze kiest daar bewust voor. Sinds ze op haar vijftiende de invloedrijke Australische feministe Germaine Greer op televisie zag en haar standaardwerk De vrouw als eunuch (1970) verslond, heeft ze het feminisme zien verdorren tot een hoogdravend discours waar alleen een klein groepje wrokkige academici nog aan mee wil en mag doen. En daar is feminisme te cool voor, schrijft Moran, en te ‘ernstig, zwaarwegend en dringend’. Feminisme is het beste instrument om behalve grote kwesties als salarisongelijkheid ook alle kleine, banale dingen die vrouwen dwarszitten mee aan te pakken. Het is geen hogere wiskunde, het is voor iedereen.

Soms is het slapstickgehalte van How To Be a Woman wel erg hoog. Moran zet zichzelf neer als stuntelende, slempende durfal die van de ene genante situatie in de volgende rolt, en trapt daarmee zelf ook in de valkuil van koketterie. Maar haar boek bevat een paar interessante, valide ideeën.

Zo stelt ze dat al die zogenaamde ‘vrouwenterreinen’ alleen maar zo heten omdat vrouwen nu eenmaal heel lang alleen binnenshuis zaten – met hun aard heeft dat niets te maken. Hun maatschappelijke achterstand is een realiteit, geen uitvloeisel van een seksistisch complot. De vrouw was eeuwenlang de ‘ander’, de verliezer op vrijwel elk gebied – is het dan gek dat ze nu even moet wennen aan het idee van zichzelf als mogelijke winnaar?

Morans boek is een troost en een aansporing tegelijk. Ze gunt vrouwen hun eigenaardigheden, en het best mogelijke leven. Als dat geen bevrijding is.