Met de fokker de fokkers aanpakken

Staatssecretaris Bleker wil met hondenfokkers en rasverenigingen kwalijke fokpraktijken tegengaan. Dierenbeschermers geloven niet dat dit gaat werken.

„Van God los.” Zo noemde staatssecretaris Henk Bleker (Landbouw, CDA) ruim een jaar geleden het fokken van erfelijk gehandicapte rashonden. De regering zou daartegen optreden. Zoals vastgelegd in het regeerakkoord.

Eind vorige week stuurde Bleker de Nota Dierenwelzijn en Diergezondheid naar de Tweede Kamer. „Aanpakken van misstanden in de fokkerij” geldt als een van de speerpunten. „Alleen via samenwerking van diverse partijen is het mogelijk om tot een vermindering van de problemen te komen”, schrijft de bewindsman in zijn begeleidende brief.

Dierorganisaties, wetenschappers en kritische dierenartsen zeggen dat Bleker de wanpraktijken niet aanpakt. Ze vinden dat Bleker te veel vertrouwt op belanghebbenden, zoals fokkers en rasverenigingen. Terwijl zij de problemen zelf hebben veroorzaakt en al jaren laten voortbestaan.

Fokken mag het welzijn en de gezondheid van de dieren niet benadelen, staat in het Besluit Gezelschapsdieren dat Bleker binnenkort bespreekt met de Kamer. Voorkomen moet worden dat „ernstige erfelijke afwijkingen en ziekten aan nakomelingen worden doorgegeven”. Dat „voortplanting op onnatuurlijke wijze plaatsvindt”. „Voor zover mogelijk.”

De regels gelden alleen voor zogeheten beroepsfokkers. Niet voor kleine rashondenfokkers. Zeker driekwart van de gefokte rashonden, met en zonder stamboom, blijft onbeschermd, zegt Hans Baaij van Dier & Recht. Hij wil een fokverbod voor de meeste verziekte rassen. Hij kondigt een proefproces aan.

De Utrechtse hoogleraar Berry Spruijt (gedragsbiologie) vindt het „onbegrijpelijk” dat Bleker ongewenste fokpraktijken „de eigen verantwoordelijkheid van fokkers en dierhouders” noemt. „De overheid moet regels stellen. Ze laat de voedselveiligheid toch ook niet over aan fabrikanten en consumenten? Hoe moet de onwetende hondenliefhebber een goedwillende fokker van zijn malafide collega onderscheiden? Iemand die een hond koopt, moet ervan kunnen uitgaan dat het dier niet erfelijk gehandicapt is en fatsoenlijk is gefokt.”

SP-Kamerlid en oud-huisarts Henk van Gerven zegt dat de Nederlandse maatschappij zou instorten als „de gezondheidsproblemen van rashonden zich in dezelfde mate bij mensen zouden voordoen”. „Het medisch systeem zou onder de ziektelast bezwijken. Het verborgen leed onder honden en eigenaren is onaanvaardbaar groot.”

Honden waren gebruiksdieren. Ze werden geselecteerd om werk te doen waar ze goed in waren: waken, beschermen, jagen, hoeden van vee. De Britse adel begon die honden voor plezier te houden. Ze moesten mooi zijn. Gezondheid en dierenwelzijn werden ondergeschikt.

Zo ontstonden honderd jaar geleden de eerste rasverenigingen. Ze wilden een ras niet alleen behouden, ook verbeteren. Verbeteren betekende uiteindelijk verminken: de opvallendste uiterlijke kenmerken steeds verder uitvergroten. Grote honden moesten groter. Kleine moesten kleiner. Sleutelend en verbouwend maakten ze rassen kapot.

Voor fokken gebruikten ze de exemplaren die het meest aan het schoonheidsideaal voldeden. Kampioenen van de hondenshow, wier zaad duur wordt betaald. „Frankensteingedrochten”, zeggen critici.

Selectie en inteelt maakten een ras niet alleen eenvormiger. Erfelijke handicaps stapelden zich op. Het inteeltniveau bij veel hondenrassen loopt volgens populatiegeneticus Ed Gubbels nu tegen de 30 procent. Hij is ook secretaris van het Platform Verantwoord Huisdierenbezit. Elke 10 procent inteelt betekent gemiddeld een jaar korter leven.

Overheid en dierenartsen weten al decennia dat fokken op uiterlijk kenmerken tot ernstige erfelijke handicaps leidt. Fokkers en rasverenigingen bagatelliseren ziektes en dierenleed al net zo lang. Pas de laatste jaren kondigden sommige verenigingen en fokkers maatregelen aan.