Liever altijd op doorreis

Szilárd Rubin Foto Gábor Gáspár

Szilárd Rubin: Een korte geschiedenis van de eeuwige liefde. Vertaald uit het Hongaars door Frans van Nes. Van Gennep, 224 blz. € 17,90

Als er een prijs moet worden toegekend aan een land dat de meeste literaire herontdekkingen van de laatste twintig jaar heeft voortgebracht, dan is Hongarije de belangrijkste kanshebber. Sándor Márai, tot 1990 zelfs in zijn vaderland praktisch onbekend, wordt tegenwoordig over de hele wereld gelezen. Ook veel tijdgenoten als Antal Szerb, Margit Kaffka en Gyula Krúdy zijn de laatste jaren in Nederland en daarbuiten herontdekt; de romans van Dezsö Kostolányi – Hongarijes interessantste prozaschrijver van de vorige eeuw – zijn hier zelfs bestsellers geworden.

Nu is Szilárd Rubin aan de beurt, ook al een schrijver die tot voor kort haast onbekend was in Boedapest en omgeving. Rubin (1927-2010) begon met poëzie, schreef filmscripts en enkele minder geslaagde prozaboeken. Zijn belangrijkste, nu vertaalde roman Een korte geschiedenis van de eeuwige liefde verscheen al in 1963, maar raakte pas bekend toen in 2004 een nieuwe editie op de markt kwam en Hongaarse schrijvers als Péter Esterházy en Lászlo Földényi er enthousiaste artikelen aan wijdden.

Centraal staan de lotgevallen van het jonge, tegenstrijdige liefdespaar Till (Attila) en Orsolya uit het provinciestadje Mohács. Till is een aankomende dichter, arm en vaderloos opgegroeid. De mooie Orsolya komt daarentegen uit een standsbewuste apothekersfamilie, waar men enigszins neerkijkt op Till. Tussen Till en Orsolya ontstaat een even hartstochtelijke als problematische relatie. Ze trekken naar Boedapest om er te gaan studeren, trouwen en laten zich weer scheiden. Ook later, als Orsolya als apothekeres in haar geboortestreek is teruggekeerd en Till zijn studie heeft opgegeven, komen ze niet meer geheel los van elkaar.

Szilárd Rubin vertelt dit verhaal tegen de achtergrond van de woelige politieke tijd rond 1950, toen de communistische dictatuur in Hongarije nog vers was. Bedrijven worden genationaliseerd, afwijkend gedrag begint gevaarlijk te worden. Toch speelt de politiek een ondergeschikte rol, want alles draait om de ik-verteller Till en zijn vriendin Orsolya. Till is een zelfkweller, een narcistische dromer, zwaar op de hand; in het openingsfragment is al sprake van ‘mijn verloren gevoel’ en ‘mijn leegte en mijn rusteloosheid’. Zijn minderwaardigheidsgevoelens verbergt hij achter arrogantie en soms ook agressie.

Gaandeweg wordt Tills gedrag merkwaardiger en zorgwekkender. Hij slaat Orsolya een bloedneus en steekt zichzelf in een masochistische aanval met een schaar in het been. Orsolya heeft hem dan al min of meer verlaten; later zal deze wispelturige vrouw trouwen met een militaire ingenieur. Till wordt daarentegen steeds eenzamer en gaat een onzekere toekomst tegemoet, die in het slothoofdstuk slechts wordt aangestipt.

De Duitse literatuurkritiek reageerde drie jaar geleden bijna euforisch op Een korte geschiedenis van de eeuwige liefde en sprak van een van de grootste liefdesromans van de 20ste eeuw. Dat is net iets te veel lof, want in het midden staan ook zwakkere fragmenten en soms wekt Rubin de indruk dat hij overal iets heeft afgekeken; een vleugje existentialisme en een scheut romantiek alsmede opvallend veel verwijzingen naar andere schrijvers – waarvan Joseph von Eichendorff en Stendhal de opvallendste zijn.

Toch overheersen de positieve eigenschappen en mag je van een terechte herontdekking spreken. Till is een sterk, levensecht personage met wie je gaandeweg compassie krijgt. Zijdelings blijkt dat hij van joodse afkomst is en dat zijn vader in de oorlog is gestorven. Ook Orsolya behoort tot een minderheid. Haar ouders hebben Duitse wortels en zijn uit andere streken in Oost-Europa naar Hongarije getrokken.

Rubin heeft voor de rusteloosheid en het isolement van zijn hoofdpersoon prachtige beelden gevonden. Opvallend is de reislust, het permanent onderweg zijn. ‘Ik was op doorreis’ luidt het al op de eerste bladzijde, en ergens zegt Till dat hij zich alleen onder reizigers thuis voelt. Diverse hoofdstukken spelen zich af in de trein of bus tussen Boedapest en Zuid-Hongarije – deels mag je deze roman ook een liefdesverklaring noemen aan de Hongaarse provincie en aan (prachtige) oude steden als Pécs, Szekszárd en Kaposvár. Het openingsfragment speelt zich af in Pécs tijdens een zwoele zomernacht, in de nabijheid van een zwembad. De verteller is alleen en verkeert in een ‘gelukzalige zweeftoestand’. Rubin heeft patent op dit soort dromerige en weemoedige passages, die zich bij voorkeur ’s nachts afspelen. Ze komen regelmatig terug, de beste halen het niveau van prozalyriek: ‘Zo nu en dan klonk het gekrijs van een kater door de lentenacht en soms het geloei van een scheepstoeter, terwijl de wind vanaf de Donau een zoetige geur meebracht. Die kwam van de vissersboten en vermengde zich met de lucht van rottend hout en geteerde platbodems.’