Column

Lees Voskuil

De buurman al gelezen? De laatste postume roman van J.J. Voskuil lijkt geen lezer onberoerd te laten. Alom geschoktheid (en herkenning?) over de echtelieden Maarten en Nicolien Koning die elkaar soms tot op het bot grieven, als in een variant op Who’s Afraid of Virginia Woolf? van Edward Albee. Maar, net als bij Albee, voel je bij Maarten en Nicolien door alles heen een onvervangbare liefde.

Het boek staat al na een week twaalfde op de bestsellerlijst. Als auteur leeft Voskuil dus nog altijd voort, temeer doordat De buurmanniet zomaar een afleggertje is van een schrijver in zijn nadagen, maar een van de hoogtepunten van dit fors uitgedijde oeuvre.

Toch had ik een sombere boodschap voor een zaal met Voskuilliefhebbers die ik onlangs mocht toespreken. Ik betwijfelde of het werk van Voskuil nieuwe generaties zou bereiken. Om de eenvoudige reden dat hij geen voorname plaats inneemt in de literaire canon. Erkenning van collega’s heeft hij amper gekregen – en die is nodig om over de drempel naar een volgende generatie te worden getild.

De schrijver die zelden genoemd – laat staan geprezen – wordt door, liefst befaamde, collega’s, zal een vergeten schrijver worden. Roem genereert nu eenmaal roem; zo werkt het ook in de literatuur. Ik ben ooit Elsschot en Céline gaan lezen, omdat ze werden aanbevolen door respectievelijk Carmiggelt en Hermans.

Voskuil wordt niet of nauwelijks door zijn collega’s gelezen. Ik kom na veel moeite en navraag maar op enkele namen: Gerbrand Bakker, Hugo Brandt Corstius, Maarten ’t Hart.

Vaak heb ik bij schrijvers gepeild wat zij van Voskuil vonden. De meesten hadden nooit iets van hem gelezen, of hooguit „er even doorheen gebladerd”. Ze zeiden het op nogal afwijzende toon, alsof ze er geen moment rekening mee hielden dat ze wel eens iets gemist konden hebben. Het had hun vrij saai geleken, zo proces-verbaalachtig, al te realistisch vooral. Geen werk van de verbeelding, zoals dat heet.

Vermoedelijk dachten ze dat Voskuil niet veel meer deed dan het omkieperen van zijn dagboeken in romans. Als ze hem beter hadden gelezen, zouden ze gezien hebben dat hij zijn materiaal, hoe autobiografisch ook, herschept als een klassieke romancier. Ze zouden dan misschien ook waardering hebben gekregen voor Voskuils sterkste wapens: zijn introspectie, zijn dialogen, zijn humor. Ik beschouw hem, vooral dankzij Het Bureau, als een van onze meest humoristische schrijvers van de vorige eeuw. Met al deze kenmerken heeft hij in onze literatuur een volstrekt eigen universum geschapen.

Toch heeft hij nooit een oeuvreprijs gekregen. Maar als A. Alberts en F.B. Hotz de P.C. Hooftprijs konden krijgen – en ik zeg dat als liefhebber van hun werk – waarom Voskuil dan niet? De Constantijn Huygensprijs ging wel naar F. Springer, A.L. Snijders en A.F.Th. van der Heijden; het was hun gegund, maar waarom niet ook naar Voskuil? Vreemd.

Voskuil zelf heeft de houding van zijn collega’s als een soort boycot ervaren, maar ik geloof niet dat het dat was. Het was meer een algemeen gedeelde onverschilligheid, een vooroordeel dat aan elkaar werd doorgegeven. Wat ook niet zal hebben geholpen, was de neiging van Voskuil om het isolement te zoeken.

Lezers en de huidige generatie critici blijven enthousiast over Voskuil. Binnenkort verschijnt het eerste deel van Het Bureau in Duitse vertaling. Gelukkig heb ik nog geen gelijk gekregen.