Interviewvalkuilen

In de afgelopen jaren heb ik zelf mensen geïnterviewd en ben ik ook geïnterviewd. Iemand interviewen is ingewikkeld: je moet luisteren en nadenken tegelijkertijd, doorvragen zonder dat iemand dichtklapt en ervoor zorgen dat het verrassend is. Geïnterviewd worden lijkt makkelijker: je hoeft immers alleen maar zo goed mogelijk antwoord te geven, betekenisvol te glimlachen en op andermans kosten broodjes mozzarella te bestellen. Toch is het lastiger dan gedacht. Hieronder de vier valkuilen van het interview.

1Onmogelijke vragen. Interviewers houden van onmogelijke vragen. ‘Beschrijf jezelf in drie woorden’, is bijvoorbeeld zo’n vraag. Op zich snap ik het – ik zou ook het liefste van iedereen dingen willen weten als: ‘Welke groente ben jij?’ en ‘Hoe zouden aliens jou omschrijven?’ Zo’n vraag beantwoorden is echter niet te doen. Het is altijd saai, of megalomaan, of te bescheiden, of krankzinnig. Nog een onmogelijke vraag: de roze-olifanten-truc. ‘Wat is het grootste vooroordeel over jou?’ Geef daar antwoord op („dat ik verliefd zou zijn op Mao Zedong! Dat is gewoon echt niet waar!”) en iedereen leest slechts: AHA, VERLIEFD OP MAO DUS.

2Het ‘full quote’ interview. In een full quote interview zijn de vragen weggelaten en bestaat de hele tekst uit de woorden van de geïnterviewde. Zelf vind ik een full quote interview lezen alsof iemand in een half uur zonder enige aanleiding al ratelend zijn of haar hele levensverhaal heeft opgedist.

Ook is de sturing van de interviewer niet meer zichtbaar, waardoor het lijkt alsof de geïnterviewde het vooral zélf ontzettend belangrijk vindt om ergens over te beginnen: „Mijn inspiratie komt het meest uit de discrepantie tussen de politiek en de huiskamer. Maar in mijn vrije tijd luister ik graag naar muziek, erg ontspannend vind ik dat. Tuurriekeweel@gmail.comlijk heb ik die ontspanning nodig. Mijn autoritaire grootvader heeft veel invloed op me gehad.” (Hierbij lijkt het toch alsof deze persoon dit verhaal nog aan een kamerplant zou vertellen als ie er even mee alleen gelaten werd?)

3Het probleem van spreektaal. Ik begrijp dat spreektaal een interview wat kan verlevendigen, maar toch is het geen pretje: „En toen dacht ik van: super, maar ik weet dus niet of die fascinatie van mij voor Rusland dan dus ook in een toneelstuk overleeft, maar dat zoek ik dan gewoon uit, weet je. Vind ik boeiend.” Het ergste is het als je spreektaal is toebedeeld waarvan je zeker weet dat je het nooit zal zeggen: „Ja, ik ken mijn pappenheimers. Helemaal van nu, heerlijk.”

4Dat je jezelf nooit herkent. Als ik een interview teruglees, is het moeilijk om niet een lichte vorm van een persoonlijkheidsstoornis te ervaren. Bij veel antwoorden denk ik: ik weet nog dat ik echt mijn best heb gedaan hier zo volledig en eerlijk mogelijk op te antwoorden, maar of dit nou werkelijk mij beschrijft? Geen idee. Een bevriende schrijfster die dit complex herkende, raadde me aan gewoon bewust te liegen: „Begin over een fanatieke kajakverslaving. Doe ik altijd.” Eindelijk mediatraining waar je wat aan hebt.

Interview met Marcel van Roosmalen, pagina 18&19