Hoe doen die mensen dat in godsnaam?

Vanaf volgende week wordt Marcel van Roosmalen columnist op pagina 2 van nrc.next. Hij wisselt af met Renske. ‘Ik ben geen moraalridder.’

Verslaggever

Marcel rookt. Dus voordat we het café aan de Weesperzijde in Amsterdam ingaan, roken we buiten een sigaret. We kijken uit over de Amstel. Het is koud. De lente wil maar niet warm worden. Toen ik een half uur eerder bij hem aankwam, opende hij de deur met zijn jas aan: „Kom, we gaan naar buiten.”

„Ik ben aan het verbouwen”, legt hij later uit. „Het is een teringzooi. Ik vind dat je alles mag gebruiken in je stuk, alles wat je ziet en hoort. Dus ik wilde je die troep niet laten zien.”

Zelf doet de schrijver dat ook, alles gebruiken. In zijn stukken heeft hij het over zweetplekken, raar ruikende mannen en hysterisch vrolijke vrouwen. Sinds hij twaalf jaar geleden begon met het maken van reportages – het zijn altijd reportages, hij beoefent geen ander genre – verwoordt hij droogjes wat hij ziet. Als een camera met een naargeestige blik.

Marcel van Roosmalen (44) schrijft onder andere voor Het Parool, Hard Gras, de VARAgids en voor de RTL-app „maar daar krijg ik nog nul reactie op”. Hij schreef verschillende boeken, waarvan Je hebt het niet van mij over Vitesse in 2007 werd bekroond met de Nico Scheepmaker Beker. Voor deze krant maakte hij voor de Werk & Geldpagina de serie ‘Marcel Werkt’ over allerhande cursussen. En vanaf volgende week krijgt hij een ereplek op pagina 2: hij gaat columns schrijven en wisselt daarvoor elke dag af met Renske de Greef.

Wat voor soort columns kunnen we van je verwachten?

„Ik ga op pad, op zoek naar gewone mensen. Dan kom ik de deur ook eens uit. Van de huishoudbeurs tot Volendam. Een beetje gelinkt aan de actualiteit. Ik geef niet zozeer een mening. Het zijn eerder minireportages dan columns. Zo probeer ik een beeld van Nederland te schetsen. Want weet wel, de vrouwen op de huishoudbeurs hebben uiteindelijk dit kabinet gekozen. Gewone mensen zijn vaak veel griezeliger dan je denkt. Ik ken ze eigenlijk helemaal niet, gewone mensen. Maar ik vind die kant juist wel interessant. Waarom lijken zij gelukkiger dan ik? Zij zijn oprecht blij met een kurkentrekker. Of met een blikopener. Dat heb ik helemaal niet. Maar ik ben er wel jaloers op. We denken zelf altijd dat wij bepalen hoe Nederland eruitziet maar dat is niet zo: zij, de gewone mensen, bepalen dat. Ik ben dan ook erg voor het censuskiesrecht. Dus ik ga wel een beetje vooringenomen op pad, ja.”

Je zegt dat je geen mening geeft, maar dat doe je nu al.

„Ik vind dat er al veel te veel meningen in de krant staan. Ik wil beschrijven wat ik zie. Maar ik maak het niet persoonlijk. Ik schrijf niet over mijn relatie. Niet dat ik onder de douche sta en het putje vol haren zit. Daar zit niemand op te wachten. Ik hou er ook niet van. Als ik een interview lees met een BN’er die over zijn privéleven vertelt, dan geloof ik niet dat het waar is. Het meeste is vast verzonnen.”

Je stijl is weer wel heel persoonlijk.

„Ja, dat klopt. En dan willen mensen weten wie je bent. Ik voel mezelf altijd aan de zijlijn staan. Ik hoor er nooit bij. Ik hoef er ook niet bij te horen. Dat is mijn tragiek. Het enige dat je hoeft te weten is dat ik een lange relatie heb gehad, dat die nu uit is en dat ik nu een nieuwe vriendin heb.”

Je lacht.

„Ja, ik lach erbij, maar het is ook wel weer triest. Ik ben bijvoorbeeld niet in staat om grote vriendengroepen te onderhouden. Ik vind altijd vier mensen niet leuk. Daar focus ik me dan op en ga me irriteren. Ik heb drie jaar meegelopen met voetbalclub Vitesse. Zo’n borrel vind ik drie keer leuk. Snacks in de perskamer. Beetje dom gelul over voetbal. Maar de vierde keer denk ik toch: ‘o, je bent écht boos als Vitesse verliest’.”

Het raakt je toch?

„Het enige wat mij echt raakt zijn relaties en hoe ik zelf denk op een bepaalde manier gelukkig te kunnen worden. Ik verbaas me er dan over dat mensen genoegen nemen met hun leven. Hoe kan het dat mensen in een vinexwijk gaan wonen? Je zit de hele dag op elkaar en een keer in de week heb je een ‘wilde avond’ als je gaat wijndrinken met vrienden. Hoe doen die mensen dat in godsnaam?”

Ben je cynisch?

„Ja. Maar dat wordt altijd gebracht alsof het iets ergs is. Je moet altijd maar blij zijn. Dat heb ik gewoon niet. Ik hou meer van mensen die zeggen: ik heb er geen zin in. Natuurlijk vind ik het ook leuk om naar de kroeg te gaan en biertjes te drinken. Of om naar de film te gaan. Maar ik kan van mezelf geen blije eikel maken. Ik snap goed dat sommige mensen bij mijn stukjes denken, jezus, moet ik dit weer doorworstelen? Ik begrijp dat mensen zich aan mij ergeren.”

Sommige lezers zeggen: je maakt mensen vaak belachelijk.

„Nee. Ik neem iedereen juist serieus. Als ik het ergens stom vind dan zeg ik dat. Vroeger was ik huichelachtiger. Maar ik kom nooit onder de gordel. Ik ben nooit echt gemeen. Behalve misschien die ene vrouw met zweetplekken in een cursusstuk. Maar dat was vooral een lullige foto. Ik vind dat je als schrijver alles mag meenemen. Dat is wat ik doe. Ik beschouw. Ik kan dan niet zomaar dingen weglaten. Als ik zelf in de zeik word genomen kan ik er ook wel tegen.”

Lijk je op Rutger Castricum?

„Nee, want wat hij doet vind ik gewoon onbeschoft. Man Bijt Hond dat vind ik ook niet kunnen. Onder het mom van vrolijkheid worden mensen belachelijk gemaakt.”

En dat doe jij niet?

„Ik maak mensen met een gekke hobby niet belachelijk. Maar de cursusleider die onzin vertelt en er 2.000 euro per dagdeel voor vraagt, is niet meer onschuldig.”

Heb je altijd zo naar de wereld gekeken?

„Ja, ik heb het altijd zo gedaan. Ik ben pas op mijn 28ste gaan schrijven. Daarvoor deed ik niets. Ik woonde in Nijmegen en leefde een studentenleven. Als vervangende dienstplicht werkte ik bij het Nederlandse Bibliotheek- en Lectuurcentrum. Ik maakte documentatiemappen van populaire auteurs. Dan interviewde ik een schrijver en maakte verhaaltjes. ‘Maria huppeldeflup, groeide op in Markulo, ontdekte tijdens het fietsen dat ze goed kon dichten.’ Dat soort dingen. Die verhaaltjes vond iedereen grappig. Daarna heb ik de journalistiekopleiding in Tilburg gedaan en liep ik stage bij het Deventer Dagblad. De redactie zat vol oude mannen. Baarden. Sleutelbossen aan de broekzak, je kent het wel. En bakjes met ‘nieuws’ op hun bureau, de persberichten. Ik kreeg het bakje ‘oud nieuws’. Nu maak ik een boek over André Hazes. Reportages over de kroegen waar hij kwam en zo. En ik maak een boek over de Tweede Wereldoorlog, over hoe dat nog leeft in Nederland.”

Conclusie: je beschouwt vooral?

„Ja. Ik kijk. Ik ben geen moraalridder. Ik wil gewoon dat mijn columns gelezen worden. Dat is mijn doel. Want ik wil dat mensen het leuk vinden. Zo ijdel ben ik dan weer wel.”