Geen slotje op ontdekkingen

Wetenschappers boycotten met succes Elsevier en tonen zo aan dat uitgeverijen moeten vernieuwen.

Op de website thecostofknowledge.com protesteren wetenschappers uit de hele wereld tegen uitgeverij Elsevier. Ze keren zich onder andere tegen exorbitante abonnementsprijzen voor tijdschriften en ze protesteren tegen de steun van de uitgeefgigant voor voorgenomen wetten die de vrije uitwisseling van informatie beperken, zoals SOPA, PIPA en de Research Works Act. Inmiddels hebben meer dan 7600 academici laten weten dat zij niet meer voor of met Elsevier willen optreden als auteur, peer-reviewer of redacteur van een van haar tijdschriften.

De boosheid van de auteurs betreft vooral het feit dat de uitgever de vrije uitwisseling van informatie lijkt te willen beperken in een poging om de winsten te kunnen blijven maximaliseren, terwijl de wetenschappers het recht opeisen om hun onderzoekspublicaties zonder beperkingen via internet beschikbaar te stellen en die van hun vakgenoten zo te kunnen gebruiken. Via open access dus.

De voordelen liggen voor de hand. Via het internet bereikt een auteur een wereldwijd publiek, en daarmee krijgt zijn onderzoek ook een grotere impact. Wetenschappers schrijven niet voor geldelijk gewin – in veel gevallen hebben ze al een salaris. Ze schrijven om hun onderzoeksresultaten zo breed mogelijk toegankelijk en bruikbaar te maken voor zo veel mogelijk collega’s.

Daar worden ze zelfs op ‘afgerekend’: hun ‘impactfactor’ stijgt naarmate ze meer worden geciteerd door hun collega’s. Deze collega-onderzoekers waarderen bovendien zeer de ongelimiteerde toegang en full-text-zoekmogelijkheden van open access-uitgeven.

En ook maatschappelijk is het wel zo wenselijk. Wetenschappelijk onderzoek wordt in verreweg de meeste gevallen gefinancierd met gemeenschapsgelden; laat de gemeenschap daar dan ook onbelemmerd kennis van nemen.

Door in open access te publiceren wordt de uitgever overigens niet overbodig. Het grote verschil tussen open access en traditionele vormen van publiceren is het verdienmodel. In de traditionele situatie krijgt de uitgever betaald door de gebruikers van de publicatie (de universiteitsbibliotheken en de onderzoekers). Die inkomsten vallen weg wanneer de publicatie vrij toegankelijk op het internet staat. Maar de werkzaamheden van de uitgever moeten wel worden vergoed.

Voor artikelen in wetenschappelijke tijdschriften is hiervoor inmiddels een oplossing gevonden: het author-pay-model. Een wetenschapper die kiest voor publicatie in open access betaalt de uitgever een bedrag tussen de 1200 en 3000 euro voor de eerdergenoemde diensten.

Overigens valt goed te verdedigen dat niet de wetenschapper zelf, maar zijn of haar universiteit of onderzoeksfinancier dat bedrag zou moeten betalen – dat moet gewoon worden ingebouwd in het hele onderzoeksbudget. Wetenschapsfinanciers als NWO en de KNAW stellen dan ook sinds kort budgetten beschikbaar voor academici die in open access publiceren. Sommige organisaties, zoals in Engeland de Welcome Trust die medisch onderzoek stimuleert, financieren zelfs alleen nog onderzoek waarvan de publicatie in open access verschijnt.

In de bètawetenschappen is de meest gebruikelijke vorm van publiceren het artikel. Maar in de sociale en met name in de geesteswetenschappen verschijnen onderzoeksresultaten nog steeds vooral in boekvorm.

Nu verkeert het uitgeven van wetenschappelijke monografieën al een paar decennia in een crisis. Toen de grote commerciële uitgevers vanaf de jaren 70 jaarlijks de abonnementsprijzen van hun tijdschriften jaarlijks fors verhoogden, gingen de universiteitsbibliotheken bij gebrek aan extra geld onder andere bezuinigen op de aanschaf van boeken.

Uitgevers op hun beurt werden door de dramatisch dalende afname steeds selectiever in hun uitgeefbeleid en zagen zich gedwongen om de monografieën hetzij gesubsidieerd hetzij tegen eveneens hoge verkoopprijzen uit te brengen.

De KNAW en NWO zijn zo verstandig geweest om hun open access-gelden expliciet ook beschikbaar te stellen voor boekuitgaven in de geestes- en sociale wetenschappen. Voor het boek snijdt het mes daarmee aan twee kanten, omdat het hierdoor in elk geval digitaal weer een toekomst heeft.

En wat voor toekomst. Er zijn intussen interessante nieuwe methodes voor onderzoek ontwikkeld, zoals data mining: het doorzoeken en combineren van data op een innovatieve manier waardoor sneller en meer resultaten kunnen worden geboekt, die dan in open access kunnen worden gekoppeld achter de uiteindelijke publicatie.

We staan nog maar aan het begin van deze ontwikkelingen, maar zeker is dat de wetenschappelijke uitgeefwereld hierin zal moeten meebewegen, en vooral niet de indruk moet wekken dat ze de vrije uitwisseling van onderzoeksresultaten wil beperken vanwege kortetermijnwinst. Zonder wetenschappers (auteurs, peer reviewers en redacteuren) die hun onderzoeksresultaten in artikel-, boek- of wat voor andere vorm dan ook aan een uitgever beschikbaar stellen, staan de uitgevers met lege handen.

Inmiddels is Elsevier overigens interessant genoeg al op haar schreden teruggekeerd ten aanzien van haar standpunt aangaande de Research Works Act. De actie op thecostofknowlegde.com toont daarmee fijntjes aan dat wetenschappers zelf op de invoering van open access bij de bestaande wetenschappelijke uitgeverijen een enorme invloed kunnen uitoefenen.

Saskia C.J. de Vries is directeur van Amsterdam University Press