Eitje

Onlangs zou mijn moeder, als ze nog geleefd had, 115 jaar geworden zijn en ik moest meteen denken aan haar verjaardag in de oorlogswinter, februari 1945. We waren in september op last van de Duitse bezetter uit Arnhem geëvacueerd en met vele lotgenoten, onder wie onze buren, ondergebracht in een groot hotel in Loenen op de Veluwe, dat speciaal voor de Arnhemse evacués was ingericht. De eerste paar maanden was er nog een kok die voor ons allemaal kookte en we gebruikten als echte hotelgasten de maaltijd in de eetzaal. Op een gegeven moment was die voorziening er niet meer, was de keuken gesloten en trok iedereen zich terug op zijn eigen hotelkamer. Het was vanaf dat moment ieder voor zich. Mijn oudere broer had van een koekblik een noodkacheltje gefabriceerd, met een kachelpijp door het raam naar buiten. Mijn broertje en ik kregen de opdracht hout te sprokkelen. Het hotel stond midden in de bossen, dood hout genoeg. Op dat kacheltje bereidde mijn moeder de maaltijden. Veel stelde dat niet voor, meestal voederbieten, waar mijn moeder een prutje van kookte, een soort weeë, zoet smakende stew. Maar er waren in het hotel mensen die het beter voor elkaar hadden dan wij, die hadden niet alleen echte aardappelen, maar die schilden ze ook. Daar deed mijn moeder haar voordeel mee. Ze struinde hun vuilnis af en soms kwam ze thuis met een maaltje aardappelschillen. Feest! Daar zaten wel eens afgebrande lucifers tussen, van die ouderwetse, die rood afgaven, maar daar at je gewoon omheen.

Op haar verjaardag kreeg ze van de buurvrouw een geweldig cadeau. Een vers ei. Het werd plechtig in een pannetje gelegd en zacht gekookt. Toen ze het at, stonden mijn drie broers en ik om haar heen. „En?” „Lekker?” „Willen jullie een hapje?” We brachten het op om dat beleefd af te slaan en keken alleen maar belangstellend toe.