Diane uit Rio wordt nooit ingenieur

In Brazilië, zesde economie in de wereld, gaan de kinderen maar vier uur per dag naar school. Dat leidt nu tot ophef: zo zal de opmars van het land al wereldmacht stagneren.

In Cícero Pena, een lagere school in Copacabana, is het alsof de tijd jaren heeft stilgestaan. In kleine klaslokalen met 25 tot 35 kinderen staan rijen tafeltjes dicht op elkaar, met amper ruimte om te lopen. Op een kast staat een oude televisie.

Juf Anamaria Prageres (59) houdt een dictee over het menselijk lichaam. De negenjarigen in haar klas schrijven de woordjes in schriftjes. „Je doet je best, maar of de kinderen voldoende opsteken in dit systeem is de vraag”, zegt Prageres vermoeid.

Het is slecht gesteld met het lager en middelbaar onderwijs in Brazilië. Dat blijkt uit recent rapport van de gezaghebbende organisatie Todos pela Educação (TPE: Iedereen voor het Onderwijs). Specialisten waarschuwen naar aanleiding van de publicatie dat het erbarmelijke onderwijs een gevaar vormt voor Braziliës ambities om uit te groeien tot een welvarende wereldmacht.

Onderzoek in 2011 naar de prestaties van negenjarigen, zo signaleert het rapport, levert een verontrustend beeld op. Bijna de helft kan niet goed genoeg schrijven en slechts 42 procent haalt de vereisten voor rekenen. In Brazilië, de zesde economie van de wereld, gaan de kinderen slechts vier uur per dag naar school.

Vooral openbare scholen scoren slecht. Wie het kan betalen stuurt zijn kinderen naar een particuliere school. Daar worden scholieren voorbereid op het landelijke toelatingsexamen voor de gratis universiteiten van de overheid.

De meeste leerlingen van openbare basisscholen als Cícero Pena in Copacabana zullen dat niveau nooit bereiken. Daarnaast is er nog een groep van 3,8 miljoen kinderen die helemaal niet naar school gaat, ruim 8 procent van het totaal.

„Je ziet er nu al de gevolgen van”, constateert econoom Amaury Gremaud, die als onderzoeker meewerkte aan het rapport. Ingenieurs, architecten, informatici; er is groot gebrek naar in het Braziliaanse bedrijfsleven. Vorige maand besloot de overheid om hoog opgeleide buitenlanders sneller een werkvergunning te verschaffen.

Het land verandert, zegt econoom Gremaud, maar het onderwijs is stil blijven staan. Tot vijf jaar geleden bestonden er niet eens landelijke graadmeters voor de scholen. „Als Brazilië zijn potentie als opkomende macht wil realiseren, dan moet er snel iets veranderen in het onderwijs. We kunnen niet blijven teren op grondstoffen, landbouw en straks olie”, zegt hij.

In het kantoor van Sônia Varela (68), directeur van de Cícero Pena school, staan twee bureaus met roestplekken, twee grijze computers uit de jaren negentig en een faxapparaat. Tegen de muur leunen stalen archiefkasten met vergeelde mappen. Een ronkende airco probeert de hitte buiten de deur te houden.

Het belabberde onderwijs, zegt Varelo, is mede het gevolg van de slechte voorbereiding van de docenten. Er bestaat geen landelijke curriculum voor de studie pedagogiek en bovendien bieden de studies vooral veel theorie, vaak ideologisch getint.

Docenten leren niets over het gebruik van computers in de klas of over de technologische leefwereld van scholieren. Zij zegt: „Onderwijzers worden ook niet bijgeschoold. Sommigen kunnen nog geen e-mail versturen.”

Onderwijzer op een openbare school is bovendien geen populair beroep. Te laag salaris. Geen aanzien. Hard werken in moeilijke omstandigheden. „Sommige onderwijzers nemen er noodgedwongen een baantje bij om te overleven”, zegt schooldirecteur Varela.

Vijf procent van het nationaal inkomen gaat naar onderwijs, maar het geld wordt als gevolg van corruptie en bureaucratie niet efficiënt besteed. De kosten per leerling zijn hoog door de vele zittenblijvers, tot 30 procent onder vijftien- tot zeventienjarigen.

Ondanks de dramatische situatie zijn landelijke demonstraties voor beter onderwijs, zoals bijvoorbeeld in Chili vorig jaar, in Brazilië uitgebleven. Het probleem is, zegt Gustavo Ioschpe, columnist en onderwijsspecialist, dat de openbare scholen worden bezocht door kinderen uit de lagere inkomensklassen. Hun ouders zijn vaak amper geschoold en niet in staat om kritisch te oordelen over het onderwijsniveau.

Neemt de negenjarige Diane Alves, op Cícero Pena. Haar moeder is schoonmaakster, haar vader zoekt werk. Beiden hebben alleen lagere school. Alves is een serieus meisje dat naar beneden kijkt als zij praat. Ze woont in een sloppenwijk op loopafstand van school. Later wil ze graag ingenieur worden. De kans dat zij haar droom waarmaakt is niet groot, zegt schooldirecteur Varela. Haar eigen kinderen heeft ze naar een particuliere school gestuurd. „Je komt daar in een wereld terecht met mensen met wie je mogelijk later gaat werken, het levert een netwerk op dat je hier niet zal vinden”, zegt Varela. „Het is een treurige situatie in het openbaar onderwijs, juist nu het land met zijn groei zo’n behoefte heeft aan zo veel mogelijk talent.”