De grote geoloog van het gevoel

Leo Damrosch: Jean-Jacques Rousseau. Een rusteloos genie. Vert. Karl van Klaveren. Ten Have/Veen Magazines, 654 blz. €54,95

Als er een Verlichtingsdenker is die past bij het hedendaagse fenomeen van je innerlijkheid onbekommerd uitbenen in boeken, op televisie en via social media, dan is dat Jean-Jacques Rousseau. Hij introduceerde in de 18de eeuw de moderne autobiografie en werd tot celebrity gekatapulteerd door een talentenjacht, een schrijfwedstrijd van de Academie (van Dijon), te winnen met een Vertoog over de wetenschappen en de kunsten.

Aan deze excentrieke autodidact wijdde de Amerikaanse literatuurwetenschapper Leo Damrosch in 2005 de nu vertaalde biografie Jean-Jacques Rousseau, Restless Genius in Nederlandse vertaling. Keurig op tijd voor de viering van Rousseaus 300ste geboortedag, komende zomer. Het is tevens de eerste voldragen biografie over Rousseau in het Nederlands. Dit is opmerkelijk aangezien zijn bekendste geschriften al vanaf eind 18de eeuw zijn vertaald en verspreid in Nederland. Damrosch schreef een levendige biografie die meer aandacht van de uitgever had verdiend. De redactie is ronduit slordig.

Rousseau werd in 1712 geboren in Genève als zoon van een klokkenmaker. Een warm nest heeft hij niet gekend; zijn moeder stierf bij de geboorte, met zijn vader onderhield hij sporadisch contact en zijn oudere broer verloor hij al snel uit het oog. Vanaf zijn 16de stippelt de introverte en verlegen Rousseau zijn eigen route uit. Een onwaarschijnlijke zwerftocht voert hem door het tegenwoordige Zwitserland, Frankrijk en Italië. Met vele baantjes, talrijke ontmoetingen en eindeloze verplaatsingen legt hij de basis voor een breed oeuvre dat relatief laat, omstreeks zijn veertigste, tot wasdom komt. Damrosch wijt dit aan Rousseaus dyslexie.

Vervolgens schrijft Rousseau in een kort tijdbestek enkele van de meest invloedrijke geschriften uit de 18de eeuw, waaronder romans (Julia of de nieuwe Héloise), vakmusicologische boeken, politiek-filosofische traktaten (Vertoog over de ongelijkheid; Het maatschappelijk verdrag) en zijn autobiografische werken (Bekentenissen; Overpeinzingen van een eenzame wandelaar).

Kindertehuis

Evenals zijn beroemde tijdgenoten Diderot en Voltaire was Rousseau omstreden. Meer dan eens ziet hij zich gedwongen de benen te nemen. Hij voelt zich opgejaagd en lijdt in toenemende mate aan achtervolgingswanen. Waar Rousseau opduikt, breekt ruzie uit en de meeste vriendschappen spatten uit elkaar. Uiteindelijk sterft hij in 1778 op 66-jarige leeftijd op het landgoed van Ermenonville bij Parijs.

Een rusteloos genie biedt geen schokkende onthullingen of nieuwe interpretaties. Dat is ook niet de intentie van Damrosch. Hij heeft zich juist verdiept in de vele bestaande biografieën, wetenschappelijke monografieën en het bekende bronnenmateriaal om in huid van de persoon Rousseau te kruipen. Niet het genie uit de ondertitel maar juist dat rusteloze individu krijgt volop aandacht. Het resultaat is een indringend portret van de 18de-eeuwse geoloog van het gevoel.

De vuistdikke biografie leest als een voortdurende worsteling van de rusteloze Rousseau met zichzelf in de wereld. Damrosch staat uitgebreid stil bij Rousseaus beleving van seksualiteit. Dit is een bizarre cocktail van cerebrale overwegingen en vurige verlangens, van geremdheid en sadomasochistische trekjes. Rousseau was jarenlang minnaar van een oudere beschermvrouwe, Madame de Warens, die hij consequent ‘mamma’ noemde. Bij zijn uiteindelijke levensgezellin, Thérèse Levasseur, verwekte hij naar alle waarschijnlijkheid vijf kinderen maar die stond hij vervolgens allemaal af aan kindertehuizen – een van de bekendste anekdotes over de auteur van de bijbel van de moderne opvoedkunde, Emile of Over de opvoeding.

Prostaat

Damrosch geeft dus ruim baan aan het persoonlijke in al zijn facetten. Zo is er Rousseau de hypochonder. Jean-Jacques klaagde zijn hele leven over prostaatproblemen. Maar artsen konden dit ziektebeeld nooit bevestigen en volgens de biograaf hadden ze dan ook een psychosomatische achtergrond. En dan is er nog Rousseau de excentriekeling. Hij liep jarenlang rond in exotische gewaden (zoals zijn beroemde Armeense jas), predikte matiging en zonderde zich graag af. Maar voor een kluizenaar zat hij er doorgaans warmpjes bij en hij genoot met volle teugen van elk podium dat hem werd aangereikt. IJdelheid was hem allesbehalve vreemd. Ten slotte is er Rousseau de natuurmens die het eenvoudige plattelandsleven verheerlijkte en lyrisch over de natuur (de bergen!) schreef. Maar in het boerenbestaan in de Alpen, getekend door hard labeur rond de klok, heeft hij zich nooit werkelijk verdiept.

Allicht is het moeilijk om de persoon Rousseau in al zijn facetten te ontrafelen. Maar Damrosch gaat wel wat makkelijk voorbij aan de ‘auteur’ Rousseau, met alle manipulatieve technieken die daarbij horen. Bij Rousseau is de grens tussen fantasie en werkelijkheid voortdurend broos. Voor de vroege periode koerst Damrosch op de Bekentenissen. Dit is begrijpelijk omdat er weinig andere bronnen voorhanden zijn. Toch had hij Rousseaus neiging tot legendevorming steviger in een context mogen plaatsen.

Het genie dient in deze biografie de persoon, en Rousseaus belangrijkste ideeën staan dan ook in functie van het portret. Hij onderscheidde zich van andere Franse Verlichtingsfilosofen, Diderot of Voltaire, door zijn geloof in de oorspronkelijke mens. In zijn optiek werd de mens in een volmaakte natuurlijke toestand geboren maar door de maatschappij en bezitsverhoudingen gecorrumpeerd. Deze opvatting viel erg slecht bij de toenmalige kerkelijke autoriteiten (de mens was immers in zonde geboren) maar ook bij de philosophes die juist geloofden dat de samenleving en de rede vooruitgang brachten.

Terwijl andere Verlichtingsdenkers de primitieve fase in de mensheid of in de kindertijd slechts beschouwden als opmaat tot een vervolmaakte maatschappij of mens, en dus van ondergeschikt belang, legde Rousseau al het gewicht in de oervormen van mens en individu. Kortom, de kritiek van het Verlichtingsproject werd bij Rousseau in toenemende mate ook zelfkritiek. Hij keerde zich tegen de Verlichting als een rationeel, onpersoonlijk en mechanistisch project en stelde er gevoel, het individu en introspectie voor in de plaats. Damrosch portretteert Rousseau terecht en overtuigend als de heraut van de Romantiek. Dat maakt deze fascinerende persoon nog eigentijdser.