De fatsoensjournalist en de koektrommel

De trein van ’s ochtends om half acht naar Schiphol is behoorlijk vol. Allemaal mensen. Allemaal gezichten. Soms, in zo’n trein, kan het je ineens zo overvallen: al deze mensen hebben eigen opvattingen. Dat klinkt nogal logisch, maar in zekere zin geloof je het niet als je naar een menigte mensen kijkt. Een menigte is een menigte. Amorf. Zelf ben je – hoewel je je heel anders voelt, want jij bent jij – net zo’n onopvallend onderdeel van die menigte. Net zo geschikt om hulp aan te vragen bij het kopen van een kaartje, net zo geschikt als slachtoffer van een beroving. Jouw persoonlijke leven maakt niemand iets uit.

Het is een wonder, denk je soms, dat het allemaal zo goed gaat. Mensen gedragen zich gewoon zoals mensen dat in treinen doen. Ze zitten op hun mobiel te kijken. Ze lezen wat. Ze stappen uit of in. Niemand hoeft deze mensen in bedwang te houden. Niemand staat op en zegt tegen een ander: „Je portemonnee! Nu!”. Er is geen clubje dat snel samenwerkend een paar mensen van hun bezittingen ontdoet. Hoewel er heus weleens een zakkenroller in de trein is, vinden we dit toch normaal.

Wat als het anders zou zijn? Wat als er allerlei mensen zouden zijn die het niet vanzelfsprekend vinden dat ze moeten staan als de zitplaatsen bezet zijn, maar die iemand sommeren om plaats te maken? Die een ander zijn krant, telefoon of broodje zouden afpakken, die zich met je gesprek zouden bemoeien of keihard tegen je zouden schreeuwen? Hoeveel bewaking zou je nodig hebben om alles min of meer ‘normaal’ te laten verlopen als iedereen zich niet meer zou gedragen volgens al die vanzelfsprekende regels?

Heel veel waarschijnlijk.

Ik dacht eraan nu er niet voor de eerste keer een discussie is losgebarsten over fatsoen, over fatsoen van journalisten deze keer, en nu je op allerlei plaatsen leest, ook in deze krant, dat het van het grootste belang is om iedere ‘journalist’ overal toe te laten, hoe hij of zij zich ook gedraagt. Bevalt het je niet, jammer dan. Dan kijk je maar niet naar zijn of haar programma. Het idee alleen al dat er op een of andere manier eisen aan gedrag zouden kunnen worden gesteld, maakt menig journalist – dit is natuurlijk een heerlijke journalisten-over-journalistendiscussie – woedend. Persbreidel!, wordt er meteen geroepen.

Hm. Bepaalde voorwaarden stellen aan iemands gedrag lijkt me nog niet meteen een persbreidel. Niemand vindt het vreemd om in een schouwburg, een rechtszaal, een kerk of een winkel te vragen van mensen om zich behoorlijk te gedragen, op straffe van verwijdering.

Als zo iemand ‘journalist’ is, wordt het altijd al wat moeilijker. Hiervan maken sommige types gebruik, door met een draaiende camera op de schouder mensen op straat of thuis te overvallen met hun vragen, om kantoorgebouwen binnen te dringen of bekende mensen hardnekkig te achtervolgen.

Niemand vond het tot nog toe heel moeilijk om het verschil te zien tussen een journalist die zijn of haar werk deed en een vlegel met een camera, maar fatsoen is nu ook al veranderd in een kwestie van smaak.

Je kunt er geen precieze definitie van geven. Toch weten we allemaal best waarover we het hebben, al zijn er altijd wat grensgevallen. Wat ontbreekt, is de bereidheid om dat ‘fatsoen’ te verdedigen, in plaats van meteen maar te doen alsof zo’n begrip vandaag de dag geen bestaansrecht meer heeft.

Het heeft natuurlijk geen zin om een autoriteit of een commissie in het leven te roepen om te bepalen wat goede smaak is. Dat is zoiets als in elke treinwagon een agent neerzetten. Daarmee onderstreep je alleen maar dat de notie van wat fatsoenlijk is, gesleten is.

Het eigenaardige met fatsoen, zoals met alle normen en waarden, is nu eenmaal dat het geïnternaliseerd moet zijn. Als moeder de koektrommel moet verstoppen omdat haar kind de koekjes anders allemaal opeet, is er iets mis gegaan in de opvoeding. Het kind had geleerd moeten hebben dat het met mate mag nemen – het moet dat vanzelfsprekend vinden, zoals de passagiers in de trein zich vanzelfsprekend min of meer behoorlijk gedragen, maar als je zegt: wat jij behoorlijk vindt, is maar een mening, je moet die mensen vrijlaten om zich anders te gedragen, dan haal je je een hoop moeilijkheden op de hals.

In de Tweede Kamer wordt evenmin steeds even keurig gediscussieerd. Uitdrukkingen die vroeger ‘onparlementair’ werden gevonden, worden nu gebezigd zonder dat er wordt ingegrepen. Er is nu eenmaal iets veranderd in de wereld, maar er is wel nog steeds een Kamervoorzitter die ingrijpt als het te gek wordt. Die voorzitter heeft in principe de steun van alle aanwezigen, omdat iedereen heus wel weet hoe het hoort, maar zich daar niet altijd aan houdt. Dan moet er iemand zijn die zegt: ho.

Het is eigenlijk nogal eenvoudig.