De echte flaneur is een vrouw

In de Jardin du Luxembourg, Parijs Foto Peter Hilz

Mona Ozouf: La cause des livres. Gallimard, 547 blz. € 24,–

Malka Marcovich: Parisiennes. Balland. 431 blz. € 24,90

De Parisienne is legendarisch, maar erg zichtbaar is ze niet. Niet in de geschiedenis, niet in de literatuur én niet in de straatnamen van Parijs. Van de 6.000 straatnamen van de Franse hoofdstad dragen er 4.000 de naam van een man, blijkt uit Parisiennes, een recent onderzoek van historica Malka Marcovich. Slechts 200 verwijzen naar de daden of het oeuvre van een vrouw. Wie dat zijn, heeft Marcovich precies in kaart gebracht: de actrices, de filosofes, de koninginnen en de revolutionairen – allemaal kregen ze een kort portret en vaak een citaat, de Rue Florence-Blumenthal bijvoorbeeld, de Jardin Anne Frank en de Place Marguerite-de-Navarre.

Een aantal van die beroemde Parisiennes komen we ook tegen in La cause des livres (De zaak van de boeken) van de Franse historica Mona Ozouf (1931). Nu de Erasmusprijswinnares van 1989 haar lange wetenschappelijke carrière heeft afgesloten, maakt ze de balans op. Vorig jaar publiceerde ze Une composition française, een terugblik op haar Bretonse jeugd. Ze was enig kind van twee onderwijzers. Haar vader, militant Bretons en socialist, had een uitgebreide Keltische bibliotheek die zijn dochter gretig las. Nadat hij op jonge leeftijd was gestorven, werkte haar moeder zich op tot schoolhoofd en trok grootmoeder bij hen in, een vrouw die al even militant Bretons was als de rest van het gezin.

Thuis overheerste de Bretonse identiteit, op school golden de republikeinse waarden vrijheid, gelijkheid en broederschap met hun universele strekking, in de kerk was het woord van de priester wet. Aan de hand van haar eigen achtergrond laat Ozouf zien waaruit de ‘composition française’ van het huidige Frankrijk bestaat en hoe er nog steeds geworsteld wordt met die tegengestelde werelden van het regionale, het republikeinse en het kerkelijke.

Het zijn thema’s die we in haar oeuvre regelmatig aantreffen. Ozouf studeerde filosofie, gaf daarna tien jaar les op middelbare scholen en begon in 1968 haar carrière als historica aan het Centre National de la Recherche Scientifique (CNRS), waarvan ze inmiddels oud-directeur is.

Veel van haar werk gaat over de Franse Revolutie, die haar haar leven lang heeft geboeid en waarvan de impact tot op de dag van vandaag in de Franse samenleving voelbaar is. Maar ook democratie, onderwijs, literatuur en vrouwengeschiedenis zijn kernonderwerpen in haar oeuvre. Steeds is haar blik daarbij multidisciplinair, ze kijkt niet alleen vanuit de ideeëngeschiedenis of de politieke geschiedenis, maar neemt ook alternatieve routes via de etnologie, de antropologie, de literatuur of de filosofie.

Bovendien schreef Ozouf de afgelopen 40 jaar journalistieke kritieken voor weekblad Le Nouvel Observateur, waarvan een selectie nu gebundeld is onder de titel La cause des livres. Ook al dateren sommige stukken van decennia terug, deze ‘brocante’ is een genot om te lezen. Of ze nu over Balzac schrijft of over Montaigne, over Virginia Woolf of Vercingétorix, over Jean Jaurès of de guillotine – Ozouf blijft erudiet en verrassend.

Waaier

De stukken gaan over werk van Henry James, de Britse auteur over wie Ozouf veel schreef, over de Franse literaire grootheden George Sand, Madame de Sévigné en Belle van Zuylen. Ze nam.0 portretten op van vrouwen die historisch gezien betekenis hebben; stukken over de Franse Revolutie en helden die hun idealen in rook zagen opgaan. Descartes, Tocqueville en Albert Thibaudet passeren de revue, de Auvergne en Bretagne, het karakter van de Fransen en hun zelfbeeld.

Valt er zoiets als ‘een tijdloze essentie van de Franse identiteit’ te ontdekken? Nee, die onttrekt zich ten enen male aan wie het portret van Frankrijk wil schetsen. Wat wil je ook, schrijft ze, Frankrijk bestaat uit dorpen met puntige daken en die met platte, steden die gevoed worden door appelcider, kastanje of olijven en duizend en één manieren om de paarden voor te spannen. ‘De kant van Guermantes’ schrijft ze, Proust citerend, verschilt meer van ‘de kant van Méséglise’, dan India van China. Eenheid in verscheidenheid – dat is Frankrijk voor Ozouf.

Hoe komt het dat ze zich nu juist met deze onderwerpen heeft beziggehouden? Lezen was, als zo vaak, bij Ozouf het toevluchtsoord van een eenzaam kind. Maar vanwaar de fascinatie voor hen die op de barricaden stonden voor deze of gene zaak? Zijn het de genen van haar militante Bretonse vader? Of de erfenis van vier jaar jeugdig lidmaatschap van de communistische partij en de desillusie die erop volgde? Was het haar jeugd die haar de interne contradicties van wat ‘de Franse identiteit’ heet, heeft laten zien?

Haar persoonlijke parcours weerspiegelt zich in de onderwerpen uit La cause des livres– een titel die strijdbaarheid uitstraalt. Daar is ze zich van bewust, schrijft ze in haar voorwoord. Het gaat om een zaak die verdediging behoeft, een zaak met vijanden: ‘eenvormigheid, algemeenheid, abstractie, vereenvoudiging, dwang’. Toen ze nog een kind was vroeg haar grootmoeder al aan haar wanneer ze nu eindelijk ‘klaar was met haar boeken te spelen’. Boeken behoren niet tot het wezen van het leven, ze zijn niet nuttig – en die strijd moet het boek van nu met dubbele inzet voeren.

Strijdbaar – wellicht is dat het element dat haar vrouwenportretten gemeen hebben. Zo schrijft ze over Charlotte Corday (de moordenares van de revolutionair Jean-Paul Marat) legt ze uit waarom Jane Austen geen slachtoffer was van haar tijd en laat ze zien dat de schilderes Elisabeth Vigée-Lebrun in tegenstelling tot haar reputatie geen doetje was.

Ozouf zet zich af tegen de terminologie van onderdrukking en uitsluiting waarmee vaak over de vrouw wordt geschreven. Terwijl ‘de masculiene arrogantie een wereld wil scheppen die hem bevalt’, nemen de vrouwen de wereld – noodgedwongen – zoals hij is.

Briefwisselingen

Die houding heeft hen tot scherpe observatoren gemaakt en hun intellectuele vrijheid vergroot. Met ‘ironie en medelijden’, met ‘zacht sarcasme’ en beschaving voeren zij hun pen. Terwijl de man strijdt, laat de vrouw haar verbeelding spreken. Dat blijkt, volgens Ozouf, vooral uit de briefwisselingen, een genre waarvoor zij zich altijd bij uitstek heeft geïnteresseerd. ‘Ik zal je gehoorzame, Arabische ega zijn’, schreef de verliefde Simone de Beauvoir, boegbeeld van het feminisme, aan haar Amerikaanse minnaar. ‘De waarheid staat in mijn brieven’, zei de 18de-eeuwse schrijfster Germaine de Staël.

Wie Madame de Staël nu precies was en wat de belangrijkste boeken zijn van Simone de Beauvoir, kun je opzoeken in Parisiennes van Malka Marcovich. Bij Ozouf vind je het grote verhaal, bij Marcovich de kale feiten. La cause des livres lees je thuis, Parisiennes zou je in je tas moeten hebben als je door Parijs flaneert. Dit boek schreeuwt dan ook om een versie op e-book. Het woord ‘flaneren’ zelf, zo verbonden met de lichtstad, blijkt een vrouwelijke uitvinding. Omstreeks 1910 schreef een zekere Le Flaneur in Le Figaro kronieken over het culturele leven in Parijs. Achter dat pseudoniem ging een vrouwelijke auteur schuil, Marie de Régnier, die in 1918 de Prix de L’Académie française kreeg, maar geen plek in het illustere gezelschap. Die was voorbehouden aan haar echtgenoot, Henri de Régnier. Wel werd, in het 16de arrondissement, de Impasse Marie-de-Régnier naar haar vernoemd – een doodlopend steegje.