De beschermgoden van het boeddhisme zijn dronken

De dichter Tsering Woeser is in Peking de enige Tibetaanse intellectueel die over Tibet durft te schrijven. Ze maakte voor de website van deze krant twaalf blogs, vertaald door Silvia Marijnissen. Afgelopen woensdag sloot ze de serie af met onderstaand blog.

Tibetan blogger Tsering Woeser is reflected in a framed photograph of the Dalai Lama in her apartment in Beijing on April 3, 2009. (Shiho Fukada/The New York Times) SHIHO FUKADA/The New York Time>

In april van het jaar van de rat volgens de Tibetaanse kalender (2008) kwam de mobiele eenheid van de stad Zhengzhou naar Rebkong, de hoofdstad van Amdo, enkel en alleen om op te treden tegen de monniken van het Rongwoklooster. De agenten waren in het zwart gekleed en stevig en groot, niet zoals die van de bewapende politie, die mager en klein zijn. Bovendien waren ze goed getraind, ze waren snel en verbeten, en pakten in één keer enkele honderden monniken op.

De handen van de monniken werden zonder uitzondering vastgebonden met ijzerdraad, dat met een nijptang strak werd aangedraaid, zodat het in hun vlees sneed, tot bloedens toe, tot op het bot, daarna werden ze als vee op de wagens gegooid – niet minder dan vier volle vrachtwagens. Ook de ruim zeventig jaar oude rinpoche Khaso (een van de hoogste geestelijken van het Rongwoklooster), die door de plaatselijke autoriteiten was ingeschakeld om de monniken het protest af te raden, werd onverhoeds met ijzeren stokken afgeranseld en raakte ernstig gewond. De boeren die in eerste instantie zwijgend hadden toegekeken waren zeer gechoqueerd; enkele vrouwen, die huilend schreeuwden ‘onze rinpoche wordt doodgeslagen’ en die hun leven in de waagschaal stelden om hem te redden, werden vervolgens ook tegen de grond geslagen. Toen het nieuws zich verspreidde kwamen er nog meer Tibetanen aangerend, niet protesterend, maar smekend; ook zij werden afgerost en samen met alle anderen opgepakt. Onder de wapens waarmee op hen werd geschoten bevond zich, naar het schijnt, een soort geweer dat bij ieder schot een stank afgaf, waardoor de mensen flauwvielen. De jongste van alle opgepakte Tibetanen was twaalf jaar oud, de oudste was een boer van negenenzeventig.

Een paar kaderleden die wel kwaad durfden te worden maar hun mond niet durfden open te doen – ja, zij waren ook Tibetanen – klaagden bitter huilend op hun kantoor: „De berggoden en de beschermgoden van het boeddhisme, voor wie wij op iedere feestdag moeten offeren en bidden, waar zijn ze heen gevlucht? Vandaag is er gewoon een heldere, wolkenloze hemel terwijl er zoveel mensen zijn opgepakt, wat is er toch aan de hand met die goden, ze zijn toch zeker niet dronken?”

Die dag schreef een jong persoon in een dag-tot-dagverslag: „Ik ben in mijn eentje naar de voet van de berg gegaan en ben daar dronken geworden, waarbij ik ook heel veel drank heb geofferd aan alle goden van het Tibetaanse volk. Later merkte ik dat zij ons allang in de steek hadden gelaten en zich hadden teruggetrokken in hun grot, en dat ik mijn drank en tranen daarom maar beter kon bewaren voor alle geesten van de doden die hun leven hadden geofferd voor ons eeuwenoude volk; zij zijn de enige echte goden die wij sinds duizend jaar via onze heldendichten aan elkaar doorgeven.”

Over de beschermgoden van het boeddhisme zeggen de mensen van Lhasa ook: „We zouden geen alcohol meer aan ze moeten offeren, maar koeienmelk of boterthee, anders worden onze ontelbare beschermgoden waarschijnlijk dronken, dan vallen ze allemaal in een diepe slaap en worden ze niet wakker.” Er wordt ook gezegd: „De beschermgoden van Tibet kunnen alleen maar Tibetanen op de huid zitten, maar de indringers angst aanjagen lukt ze niet. Als een Tibetaan ook maar het geringste foutje begaat, bijvoorbeeld heilig water vervuilt of een steen van een heilige berg pakt, dan wordt hij door de beschermgoden streng gestraft door de ene na de andere ramp die op hem neerdaalt, maar als de indringers de beschermgoden overheersen en hun macht misbruiken, dan geven de beschermgoden geen kik – zelfs zonder dat hun drank en khata’s (ceremoniële sjaals, red.) worden aangeboden.”

Dit lijkt bewaarheid. En bovendien al een heel lange tijd geleden, het is alsof de beschermgoden die wij zo aanbidden ook laatdunkend zijn geworden, ze misleiden de zwakken en vrezen de sterken.