Bemoei je niet met de eetgewoonte van een New Yorker

Het leek zo’n aardig idee: om de rattenplaag in het New Yorkse metrostelsel te stoppen, moet eten onderweg verboden worden. Toch kreeg senator Bill Perkins veel kritiek op zijn voorstel . Want eten in het openbaar vervoer is een gewoonte. En dat is iets waar de overheid zich niet mee mag bemoeien.

Als de Democraat Perkins echt zijn zin krijgt (250 dollar boete voor een croissantje verorberen) dan verliezen straatverkopers en eetkraampjes een groot deel van hun klandizie. Joseph Lhota, directeur van de Metropolitan Transportation Authority, hield zelfs een schrijnend betoog over kinderen die noodgedwongen met bagels en muffins ontbijten in zijn toestellen. „Een verbod zou een ernstige impact op minderheidsgroeperingen hebben. Ik wil een kind niet zijn schaarse eetmoment onthouden”, vertelde hij The New York Times. Maar ook haastige forenzen verzetten zich tegen het voorgestelde eetverbod. Of neem diabetici: zij vallen flauw als ze niet op tijd eten.

Voor Perkins, vertegenwoordiger van de staat New York, is het uitsluitend een volksgezondheidskwestie. Want ratten verspreiden ziektes. Zo bezien is het opvallend dat de discussie zich concentreert op het sociale aspect van eten. Ook onder steunbetuigers. „New Yorkers horen zittend aan tafel te eten”, zei collega-senator Suzi Oppenheimer tegen de New York Post. „Onderweg eten voegt niets toe aan onze samenleving.”

Pas op met die argumentatie, waarschuwt journaliste Annia Ciezadlo. Oppenheimer zou met het propageren van haar tafelmanieren andere culturen als onbeschaafd afdoen. De mediterrane, bijvoorbeeld. Of de Levantijns Arabische. Immigranten uit die gebieden kun je in New York niet zomaar hun gewoonten ontzeggen.

Het is volgens Ciezadlo niet de eerste keer dat sociale hervormers ageren tegen eten in de publieke ruimte. „In het Victoriaanse tijdperk (19e eeuw) probeerden zij openbare eters en straatventers te koppelen aan ellende, ziekte en beschamend gedrag”, schrijft ze in The New York Times. De eigenlijke agenda was volgens haar een racistische: openbare eters behoorden vooral tot de arbeidersklasse en minderheidsgroeperingen. Eten op straat werd gezien als ondermijning van de publieke moraal. „Maar eigenlijk was het een eufemisme voor een meer concrete dreiging: de aanwas van Ierse, Duitse, Italiaanse en Joodse mensen.”

New Yorkers zijn van nature een opstandig volkje, besluit Ciezadlo. „Ik wens de wetgever die de Danish-broodjes, shoarma, bagels en churro uit onze hongerige handen wil wrikken veel succes!” Zo bezien is het New Yorkse eetverbod voer voor sociologen en antropologen. Maar het is de vraag of die sociale consternatie recht doet aan het pragmatische wetsvoorstel ‘Ratten voeden is ratten broeden’.