Als jongerenwerk verdwijnt neemt de overlast toe

In de jaren 80 werd volop bezuinigd op het jongerenwerk. Dat had grote gevolgen. Toch gebeurt het nu weer. „Het wordt allemaal in één keer de kop afgehakt.”

10-2010, Zaltbommel. Jongerenwerker Jamal. Foto Bas Czerwinski

Jongerenwerker Peter Maas ontving in 2005 prinses Máxima in zijn buurthuis in de wijk Kalsdonk, Roosendaal. Tijdens het sporten leerden de kinderen uit Kalsdonk ook goed samenwerken. Het buurthuis won verschillende prijzen met het sportproject.

Vanaf 1 juli is jongerenwerker Peter Maas ontslagen. En hij niet alleen. Alle jongerenwerkers in Roosendaal kunnen hun boeltje pakken.

De gemeente Roosendaal bezuinigt fiks op het jongerenwerk. En Roosendaal staat niet alleen. In veel gemeenten krijgt het jongerenwerk klappen.

Het beeld is heel divers, zegt Jaap Noorda, jeugdonderzoeker bij onderzoeksbureau Noorda en Co in Amsterdam. Hij doet al jaren onderzoek naar risicojongeren. In enkele gemeenten verdwijnt het jongerenwerk helemaal, zegt hij. Roosendaal is een voorbeeld, en Zaltbommel. In veel gemeenten wordt er op het jongerenwerk gekort.

In grote steden als Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, Den Bosch, Amersfoort en Breda wordt flink bezuinigd, net als in talloze kleinere steden en stadjes. Een landelijk beeld ontbreekt, omdat de gemeenten of stadsdelen zelf de bezuinigingen invullen en daar soms nog mee bezig zijn. Maar de tendens is helder, zegt Ahmet Almis, voorzitter van de beroepsvereniging kinder- en jongerenwerkers BV Jong. Hij krijgt veel mailtjes uit het hele land over bezuinigingen.

Er zijn ook gemeenten die het jongerenwerk intact laten of juist versterken, zoals bijvoorbeeld Zaanstad, Haarlem en Heumen (bij Nijmegen). „Dat zijn gemeenten die beseffen wat de consequenties zijn”, zegt Jaap Noorda. Zij hebben geleerd van de jaren tachtig, zegt hij, toen een kaalslag onder jongerenwerkers grote gevolgen bleek te hebben.

Hij somt op: de overlast van jongeren nam toe omdat de jongeren niet meer in een buurthuis terechtkonden maar elkaar op straat troffen. Er vormden zich groepjes voor supermarkten en in winkelcentra. Jongeren zochten elkaar op in speeltuinen en parken. Noorda: „En dan heb ik het niet over jongeren die zwaardere overlast gingen veroorzaken of die afgleden naar de criminaliteit.”

Als jongerenwerk wordt weggesneden, kun je met je armen over elkaar gaan wachten op problemen, zegt ook onderzoeker Rob Witte van de Universiteit van Tilburg, gespecialiseerd in jeugd- en veiligheidsbeleid. „Als de jongerenwerkers vertrekken, gaan de jongeren niet bij pa en ma op de bank zitten.”

Er wordt soms schamper gedaan over het pamperen van jongeren in een buurthuis, waar ze komen gamen, kaarten en tafelvoetballen. Waar cola en chips klaar staan en de jongerenwerkers af en toe een schaaktoernooi of korfbalwedstrijd organiseren. „Niks mis met ontspannen, maar je moet het combineren met nuttige zaken”, zegt Peter Maas. „Wij hebben mentorprojecten waarbij hbo’ers worden gekoppeld aan een risicojongere, we hebben huiswerkbegeleiding, we hebben zelfverdediging waardoor kinderen een positiever zelfbeeld krijgen. Het wordt allemaal in één keer de kop afgehakt.”

Een goede jongerenwerker doet meer dan entertainen, zegt Rob Witte: „Die gasten gaan vier avonden per week de straat op en leggen contacten. Zij weten het als moeder drinkt, of vader slaat. Ze houden de vinger aan de pols. Zij weten wat er speelt in de wijk, zij kennen de sleutelfiguren. Als er problemen zijn, weten zij wie ze kunnen aanspreken om de zaak te sussen.”

Jongerenwerk is de buffer tussen de wijkagent en de samenleving, vindt Henk Ferwerda van bureau Beke, die in opdracht van gemeenten hinderlijke, overlastgevende en criminele jongerengroepen in kaart brengt. Haal je dat weg, dan krijgen jeugdigen (die bijvoorbeeld kuthoer roepen naar een langslopende vrouw) direct te maken met de politie.

En dan heb je een probleem, zegt Henk Ferwerda. „Want de politie heeft wel wat anders te doen dan met zo’n jongen in conclaaf gaan. En de wijkagent kán vaak niets doen omdat de jongen wel overlast veroorzaakt, maar geen strafbaar feit pleegt. En als hij dat wel doet, is het maar al te vaak niet te bewijzen.”

Veel gemeenten neigen de laatste jaren naar repressiever optreden, zegt Rob Witte. Snelle straffen, lik-op-stuk, camera’s op hangplekken, extra surveilleren met straatcoaches of stadswachten. „Maar uit onderzoek blijft dat de effecten nihil zijn. Een camera voorkomt niet dat kinderen afglijden, een goede jongerenwerker probeert dat wel.”

Criminele jongeren zijn voor de politie, dat staat buiten kijf, vinden de deskundigen. Maar om een criminele groep hangen vaak tientallen jongere broertjes, soms zusjes, en meelopers. Daar ligt een van de belangrijkste taken van de jongerenwerker. Hij probeert het leven van die broertjes en meelopers een andere kant op te buigen.

Ik ben jeugdcriminoloog, zegt Henk Ferwerda. „Kinderen uit de criminaliteit houden is veel effectiever dan ze uit de criminaliteit krijgen.”

De meeste jongeren, zegt Jaap Noorda, komen nooit in een buurthuis. Dat zijn de jongeren van hoger opgeleide ouders die zorgen dat hun kinderen lid zijn van een sportclub en een instrument bespelen. En die dat kunnen betalen. De ongeveer 2.600 jongerenwerkers in Nederland zijn voor de 20 procent van de jongeren voor wie dat niet vanzelfsprekend is. „Voor hen is een buurthuis vaak de enige plek waar ze hun talenten kunnen ontdekken. Ik krijg soms het gevoel dat marginale jeugd voor gemeenten alleen een kwestie is als ze overlast veroorzaken.”

Probleem is wel dat de kwaliteit van jongerenwerkers sterk wisselt. Ahmet Almis, van de BV Jong, zegt dat het een van de prioriteiten is om het niveau van de opleiding te verhogen. Nu is jongerenwerk slechts een bijvak van de opleiding sociaal en cultureel werk. Zeker mbo’ers moeten in de praktijk nog veel leren.

Het jongerenwerk moet vernieuwen, vindt hij. „We moeten af van het geitenwollensokkenimago.” De ouderwetse jongerenwerker, legt hij uit, probeerde vooral een vertrouwensband op te bouwen. Hij werd een soort vriend. „De jongerenwerker nieuwe stijl moet creatiever en ondernemender worden. Hij moet jongeren activeren om zelf de activiteiten te organiseren die ze willen doen. Zodat ze leren dat niet alles voor niks is in dit leven.”