528.750

De Toneelschuur vraagt bij het Fonds bijna de helft minder subsidie aan dan het productie- huis tot nu toe kreeg van het Rijk.

De Haarlemse Toneelschuur houdt per 2013 op te bestaan als ‘productiehuis’, aangezien de structurele subsidie van het Rijk voor de 22 productiehuizen wordt beëindigd. Maar de Toneelschuur wil wel doorgaan als producerend en presenterend theater „van landelijke betekenis”. Daartoe heeft de instelling subsidie bij het Fonds Podiumkunsten aangevraagd: ruim een miljoen euro, voor de duur van twee jaar. Ofwel: 528.750 euro gemiddeld per jaar. Dat is aanzienlijk minder dan de instelling de afgelopen vier jaren kreeg.

Tot nog toe ontving de Toneelschuur 9,5 ton euro rijkssubsidie per jaar. Directeur Frans Lommerse kan het verlies aan inkomsten deels compenseren met een nieuwe subsidie van de gemeente Haarlem, private gelden en eigen inkomsten, zegt hij. De Toneelschuur wil 36,7 procent eigen inkomsten leveren. Maar voor het voortbestaan als relevant producerend theater, is de fondsbijdrage wel cruciaal.

Hoe dan ook wijzigt er veel per 2013. De Toneelschuur verandert van werkwijze door voor vier jaar vier makers vast aan zich te verbinden. Regisseurs Erik Whien, Michiel de Regt, Paul Knieriem en Joost van Hezik zullen samen vier producties per jaar maken: twee voor de kleine en twee voor de middelgrote zaal.

De makers zijn samen „een mooie combinatie van rijp en groen”, aldus Lommerse. Regisseur Erik Whien komt van Oostpool, waar hij frisse regies van repertoiretoneel maakte, een praktijk die hij bij de Toneelschuur zal voortzetten. Michiel de Regt en Paul Knieriem, wiens productie Am Ziel in de Toneelschuur vorig jaar zeer succesvol was, zullen om het jaar een regie van repertoire brengen. De jonge regisseur Joost van Heezik maakt elk jaar een voorstelling, voor de zaal en op locatie. De Toneelschuur wil daarnaast „met andere middelen” ruimte bieden voor producties van meer talentvolle makers, zowel ervaren als startend.

„We hebben een mooi plan rond deze vier heren”, zegt Lommerse. Hij is hoopvol over de kansen voor zijn aanvraag. Mocht dit niet doorgaan, „dan weten we het even niet meer”. „Maar voorlopig gaan we uit van onze kracht. Wij zijn en blijven belangrijk voor het Nederlands theater.”