Voyeur op vakantie

Arnon Grunberg ging op vakantie naar Dubai en Nepal en hield een dagboek bij. Hij besloot op zoek te gaan naar de mens achter de schrijver. ‘Je kunt ook jezelf objectiveren.’

Als het echte leven elders is – een gedachte die mij plausibel voorkomt – dan moet de echte vakantie ook elders zijn. In de zomer van 2010 was een gezin uit Eindhoven bereid mij mee te nemen op vakantie naar Griekenland. Ik wilde over die vakantie met de afstandelijke en toch liefdevolle blik van de amateurantropoloog schrijven, althans dat had ik mij voorgenomen.

Toen het stuk eenmaal was gepubliceerd (NRC Handelsblad, 10 september 2010) kon ik mij op basis van de correspondentie die daarop volgde niet aan de indruk onttrekken dat het gezin in kwestie meer moeite had met mijn reportage dan met mijn aanwezigheid tijdens die vakantie. De mens viel mee, de schrijver stelde teleur.

Hoe liefdevol de blik van de voyeur ook moge zijn, aan zijn kijken kleeft de kilte van het gluren. Als puntje bij paaltje komt, is de voyeur verdwenen. Op hem hoef je niet te rekenen, of beter gezegd, het enige waarop je mag rekenen is dat hij naar je kijkt. Wat mijn verslag ontbeerde, begreep ik, was liefde. En op liefde had het gezin uit Eindhoven gerekend, de moeder voorop.

Deze ervaring bracht mij op het idee om als amateurantropoloog, als voyeur, naar mijn eigen vakantie te kijken. Je kunt ook jezelf objectiveren.

Op 20 december 2011 zou ik met mijn vriendin via Dubai naar Nepal reizen voor een vakantie van drie weken: een uitgelezen gelegenheid om eens op zoek te gaan naar de mens achter de schrijver.

21 december

In de vroege ochtend arriveren we in hotel Grosvenor House in Dubai. In de hotelkamer, die aan alle verwachtingen voldoet, open ik mijn laptop. Ik moet een stuk dat ik in het vliegtuig heb geschreven aan het Vlaamse weekblad Humo versturen. Mijn vriendin gaat op het balkon staan.

Als ik klaar ben met werken en een douche heb genomen – ook mijn vriendin heeft inmiddels gedoucht, we lijden niet aan smetvrees, maar we zijn zeer hygiënisch – ga ik naast haar op het balkon staan. Het gebrom van tientallen airconditioners is oorverdovend.

„Laten we de balkondeur dichtdoen”, zeg ik. „En wat te eten bestellen.”

Ik kom erachter dat ik een boek van de econoom Schumpeter in de taxi heb laten liggen. Aangezien ik er aantekeningen in heb gemaakt wil ik het graag terug. Ik bel de conciërge, die mij om de titel van het boek vraagt. „Capitalism, Socialism and Democracy”, zeg ik. Meteen schaam ik me. De titel heeft iets opruiends, zeker in Dubai. „Ik ga er alles aan doen om het boek voor u terug te krijgen”, zegt de conciërge. Meer niet.

De schijnbare afwezigheid van alle emotie is superieure beleefdheid.

22 december

Als ik aan vakantie denk, dan denk ik aan massage. Nabij de sauna kan de hotelgast in het Grosvenor House van top tot teen en toch beschaafd worden gemasseerd. Stelletjes kunnen tegelijkertijd, maar uiteraard wel door twee verschillende masseurs onder handen worden genomen.

Na afloop zegt mijn vriendin: „Dat doe ik nooit meer, me samen met jou laten masseren. Je viel in slaap. Je snurkte.”

„Ik snurkte niet, ik ademde zwaar.”

„Door jouw zware geadem kon ik niet genieten van mijn massage.”

„Denk er eens over na wat het betekent dat je niet kunt genieten als ik tegelijkertijd ook geniet.”

„Zie je hoe liefdeloos je bent”, antwoordt ze.

Op de kamer probeer ik mijn liefdeloosheid te compenseren door zachtjes over haar rug te kriebelen.

’s Avonds krijgen we hooglopende ruzie in een Italiaans restaurant, ik weet alleen niet meer waarover.

Juist ook van ruzie kan ik genieten. Vermoedelijk is dat zelfs een van de redenen dat mensen op vakantie gaan. Om lekker ruzie te maken zonder te moeten horen: ‘Luister, ik heb nog tien minuten voor deze ruzie, want dan moet ik weer aan het werk.’

Het is dikwijls de tijdsdruk die ruzies zo onaangenaam maakt.

25 december

Ik ben in veel arme en vervuilde steden geweest, Kathmandu slaat alles.

In een Hindoestaanse tempel zegt een Nepalees die mij geen reisgids lijkt: „Ik kan haar bellen, dan komt ze naar buiten.” Hij heeft het over een jonge, vrouwelijke heilige die in deze tempel woont. Dat de heilige naar buiten komt op zijn verzoek is bedenkelijk. Ik heb me een heilige altijd voorgesteld als iemand die zich niet laat commanderen. Misschien heb ik me vergist.

In Hotel Dwarika laten we ons wederom masseren, want de lokale economie moet worden gestimuleerd en we zijn op deze wereld om te masseren en gemasseerd te worden.

De masseurs hebben koude handen. Mijn masseur probeert mij Nepalees te leren terwijl hij met zijn handen en voeten op mijn rug balanceert. Na afloop geef ik hem een goede fooi.

’s Avonds komen we in een Italiaans restaurant naast een groepje Nederlanders te zitten. „Haalt u deze pizza van de rekening!” zegt de Nederlandse man in redelijk Engels. „Wij hebben niet de pizza gekregen waar wij om hebben gevraagd. Wilt u deze alstublieft van de rekening halen?”

Meer en meer krijg ik het gevoel dat ik naar Nepal ben gekomen voor mystieke ervaringen. Toeristen die de halve wereld over reizen om een pizza van de rekening te laten halen, ook dat is mystiek.

28 december

In een klein en tamelijk krakkemikkig autootje rijden wij naar Nagarkot, een dorp buiten Kathmandu hoog in de bergen, althans voor Europese begrippen, circa 2.500 meter. Het Fort Resort blijkt een hotel te zijn dat bestaat uit kleine huisjes op een bergtop.

„Wij hebben hier niet altijd elektriciteit”, zegt een vriendelijke Nepalees bij de ontvangst. Hij wijst op een briefje dat aan de deur hangt. „Dit is het programma van de ‘power cuts’.”

Vandaag schijnt er om vijf uur ’s middags weer elektriciteit te zijn.

Ik zou een heilige willen zijn die zegt: alles wat elektriciteit is, is van me afgevallen. Ik werk echter op een laptop, mijn batterij is bijna leeg en ik heb internet nodig om stukken te versturen.

In afwachting van de elektriciteit maken we een wandeling. We verdwalen in de bergen, die, dat moet gezegd, prachtig zijn.

Een jongetje van naar hij zelf beweert elf jaar oud loopt een eindje met ons op. Hij wijst ons de weg, zij het niet naar het hotel, maar naar zijn eigen dorp. Ook daar zijn we echter van harte welkom. Voor zijn hulp vraagt hij om geld, het lijkt me beter om chocoladewafels voor hem te kopen. Een vriendin van me heeft een keer gezegd: „Jonge bedelaars moet je nooit geld geven, alleen eten.” Ik geef daarom bedelende kinderen zelden geld maar des te vaker eten.

Op de weg terug naar het hotel komen we een jonge hond tegen die mijn vriendin gelukkig maakt. Weinig brengt haar zoveel geluk als jonge dieren, wat mij weer gelukkig maakt. Haar geluk is mijn geluk.

Een groep Chinezen is in het Fort Resort gearriveerd. Het avondeten wordt opgediend in een grote zaal waar een piepklein kacheltje staat. Iedereen eet met zijn winterjas aan. Een man van middelbare leeftijd zit als enige aan een kleine tafel vrijwel naast een kleine kachel. De warmte die daaruit komt, lijkt mij vooral symbolisch. Op zijn tafel staat een bordje met daarop ‘reserved’. De eigenaar vermoed ik, of een toerist die besloten heeft voor altijd te blijven.

Mijn vriendin zit te verkleumen in haar winterjas. Ik zeg: „We hadden naar Luxemburg kunnen gaan, dat is ook een heel mooi land.”

Bij het naar bed gaan krijgen we kruiken mee, want de warmte van de houtkachel reikt niet tot het bed.

Midden in de nacht word ik wakker met het gevoel dat er een groot reptiel op mijn buik ligt. Het is de koud geworden kruik.

31 december

Wie de Tiger Tops Jungle Lodge in het Chitwan National Park, de jungle van Nepal, wil bereiken, moet met een boot een rivier oversteken. Nepalezen zeulen met onze koffers naar de boot. Ik koop het koloniale schuldgevoel af met fooien en dankbare blikken die hoop ik ook iets onderdanigs hebben. Ik stel mij graag onderdanig op, het voorkomt een hoop problemen.

Mijn vriendin, die betere ogen heeft dan ik, ziet een groep krokodillen. Hoewel zij de voorkeur geeft aan dieren met vacht dragen ook dieren zonder bij aan haar geluk.

Voor de gast van de Tiger Tops Jungle Lodge is een programma samengesteld. Hij hoeft zich niet te vermoeien met ondraaglijke, existentiële vragen als: wat moet ik straks doen? Hij hoeft zelfs niet te kiezen wat hij wil eten. Wat ik een zegen vind.

De middag brengen we door op de rug van een olifant. Het stelt ons in staat onder andere een neushoorn van dichtbij te observeren. De mens op een olifant is in de jungle anoniemer dan een mens op twee benen.

Tijdens de rit op de olifant besef ik dat ik een schrijver ben die tevergeefs pogingen doet om een heilige te worden.

We zien apen, herten en vooral neushoorns. De gids die achter op de olifant staat, straalt een intense melancholie uit. Op een gegeven moment wijst hij op de voetsporen van een tijger.

Later zegt hij: „Ik ruik de urine van de tijger. De urine van de tijger heeft een heel sterke geur.” Ik snuif de lucht goed op. Ik ruik niets.

2 januari

Tansen is een stad in de bergen tussen de jungle en de tweede stad van Nepal, Pokhara. Er komen weinig toeristen, maar vandaag vindt in het beste hotel van de stad, Srinagar, een conferentie plaats van het Nepalese Rode Kruis.

Mijn vriendin zegt: „Dit bed is te vies. Hier kun je geen seks hebben.” Ze bindt haar vest om een kussen in de strijd tegen het vuil. Ze weigert ook te douchen, omdat de douche te vies zou zijn. Ik geloof in laisser faire. Zolang je je slippers aanhoudt, kun je vrijwel overal douchen. Wel denk ik tijdens het douchen aan Irak, waar sommige militairen al douchend zijn geëlektrocuteerd, omdat er fouten waren gemaakt met het elektriciteitssysteem dat het water verwarmde.

In een restaurant vertelt de vriendelijke ober over de burgeroorlog in Nepal toen de maoïstische rebellen tegen de regering streden. De oorlog is voorbij, de maoïsten hebben gewonnen en zitten nu zelf in de regering. Van hun maoïsme komt in de praktijk nog weinig terecht, horen we. Het land wacht op veel, onder andere op een grondwet.

5 januari

Pokhara ligt aan een meer. De heilige kan naar de bergen kijken, voor de toerist zijn er roeiboten, scooters en pony’s te huur.

Aangezien we de dag ervoor al een roeiboot hebben gehuurd, kiezen we op verzoek van mijn vriendin voor twee pony’s. De gidsen die bij de pony’s inbegrepen zitten, blijken drie jongetjes die geen van drieën ouder zijn dan twaalf. Ik vermoed dat de jongste zes is. Aan de jongetjes is duidelijk te zien dat ze gestudeerd hebben aan de universiteit die leven heet.

Mijn pony weigert te lopen. Een van de jongetjes geeft mij een stok en doet voor hoe ik de pony moet slaan.

Ik sla, maar kennelijk niet hard genoeg, want de pony verzet geen stap.

„Je moet feller zijn”, adviseert mijn vriendin.

Al ben ik dan geen vegetariër, ik vind het onaangenaam om een pony af te ranselen die mij niets heeft aangedaan.

Mijn vriendin heeft haar pony wel onder controle.

Uiteindelijk sleurt een van de jongetjes de pony met mij erop door de stad. Het moet een bijzonder komisch gezicht zijn, want ik zie mensen naar mij wijzen en lachen.

We stappen af bij een waterval. Als ik op een pony probeer te klimmen die niet de mijne is – ik ben niet zo goed in gezichten – krijg ik een vriendschappelijke trap tegen mijn buik. Mijn vriendin zegt dat het toeval is dat de pony mij niet goed raakte. Ik geloof op mijn beurt dat de pony had gemerkt dat ik er niet van hield om onschuldige pony’s te mishandelen. De pony voelde dat hij met een schrijver te maken had die vergeefse pogingen deed om een heilige te worden.

Tijdens het avondeten zegt mijn vriendin misprijzend: „Mensen vragen zich af waar de mens is achter de schrijver. Ze kunnen niet geloven dat dit alles is.”

Arnon Grunberg ging in 2010 op vakantie met een Nederlands gezin. In fotografiemuseum Foam in Amsterdam zijn t/m 18 maart de vakantiefoto’s te zien. Inl: www.foam.org