Lak aan ideeën, gewoon lekker schilderen

Het bruiste in de kunst tussen 1977 en 1984, de jaren van de punk. Do-it-yourself was het motto. Het Centraal Museum laat zien wat dat heeft opgeleverd.

René Daniëls, ‘Spray Armee’, 1983. Olieverf op doek, 202,5 × 252,5 cm Collectie Rijkdienst voor het Cultureel Erfgoed

Hoeveel mensen er precies aanwezig waren bij het eerste Nederlandse concert van de Sex Pistols, op 5 januari 1977 in Paradiso, daarover lopen de meningen uiteen. Volgens sommigen waren het er nog geen honderd, anderen spreken van vierhonderd bezoekers. Maar dat het Londense viertal op ieder van hen een onuitwisbare indruk maakte, dat staat buiten kijf. Muzikaal klonk het voor geen meter – geen van de bandleden leek ooit maar één noot muziekles te hebben gehad. Maar hun rauwe energie was overdonderend en vooral frontman Johnny Rotten maakte met zijn klagelijke stem en spastische gebaren een onuitwisbare indruk op het Amsterdamse publiek.

„En daar stond hij, Johnny Rotten, de punkster”, schreef Muziekkrant Oor een week later. „De bewegingen die hij maakt, de uitdrukkingen die over zijn gezicht schieten en de vreemde, meestal sarcastische ondertoon in zijn stem, niemand begrijpt waar al die onverwachte momenten hun psychische oorsprong vinden. Charisma noemt men dat en Johnny Rotten heeft er een vrachtwagen vol van.”

1977 geldt sindsdien als het startsein van de punkbeweging in Nederland. Ook God Save The Queen, de tentoonstelling die vanaf zaterdag te zien is in het Centraal Museum in Utrecht – en die genoemd is naar een van de bekendste nummers van de Sex Pistols – begint in dat jaar. In de maanden na het concert in Paradiso werden overal in Nederland punkbandjes uit de grond gestampt. Er werden lege panden gekraakt waar poppodia en kunstenaarsinitiatieven gesticht werden. Nieuwe tijdschriften zagen het licht, radio- en tv-zenders braken illegaal in op de ether, fanzines werden gestencild en singles geperst – uiteraard allemaal in eigen beheer, want do-it-yourself was het motto in die jaren. En hoe somber het tijdsbeeld ook was en hoe vaak de Sex Pistols tijdens hun optredens ook de slogan No Future scandeerden, in de kunsten bloeide en bruiste het, tussen 1977 en 1984.

Het „krakend scharnierpunt” waaromheen de expositie God Save The Queen draait, is 30 april 1980, de kroningsdag waarop alle opgekropte woede van Generatie X tot uitdrukking kwam – ‘Geen woning, geen kroning!’ Marja Bosma, conservator van het Centraal Museum en samensteller van de tentoonstelling, herinnert zich nog goed hoe ze die dag met een transistorradio tegen haar oor gedrukt door de straten van Utrecht liep, waar ze kunstgeschiedenis studeerde. De VARA deed live verslag van de rellen in Amsterdam, waar een ware veldslag tussen krakers en ME’ers aan de gang was. Auto’s belandden in de grachten, er werden molotovcocktails gegooid. Een agent viel van zijn paard en werd er door omstanders onder luid gejoel („Ivanhoe!”) weer opgeholpen. „Het was bepaald geen fijnzinnige tijd”, aldus Bosma. „Maar humor was er wel.”

Zelf speelde Bosma destijds dwarsfluit in het ‘no wave’-bandje Intensive Care en was ze betrokken bij het kraken van het oude houten Tivoli-muziekgebouw aan het Utrechtse Lepelenburg. „Dat is wat dit tijdperk zo bijzonder maakte”, vindt Bosma. „Alles kwam samen: muziek, kraken, kunst. Die mentaliteit, van zelf doen en aanpakken en je niet storen aan hoe het hoort, wil ik met deze tentoonstelling overbrengen.”

Anarchitectuur

Natuurlijk klinkt er punkmuziek in het Centraal Museum en draaien er documentaire beelden van de dag dat Beatrix gekroond werd. Maar het draait op God Save The Queen vooral om de kunst die deze periode heeft voortgebracht. In de eerste zaal draait, als een soort proloog, Gordon Matta-Clarks video Splitting uit 1974, waarin te zien is hoe de Amerikaanse kunstenaar een woonhuis doormidden zaagt en een van de helften een paar graden kantelt. Net als de kraakbeweging vroeg Matta-Clark met zijn ‘anarchitecture’ aandacht voor de enorme leegstand en de verpaupering van buurten als The Bronx. „Het is een dwars en ontregelend kunstwerk”, vindt Bosma. „Tegelijkertijd creëerde hij met die doorsnedes ook letterlijk uitzicht: hij liet zien hoe je het heft in eigen handen kon nemen.”

In veel opzichten vormde het jaar 1977 een radicale breuk met het verleden. De razendsnelle drie-minuten-nummertjes van punkbands als The Ramones („one-two-three-four!”) rekenden af met de langdradige symfonische rock uit de jaren zeventig. In het straatbeeld maakte het lange hippiehaar plaats voor korte stekels en hanekammen. En in de kunstwereld was men klaar met de hegemonie van conceptuele kunst en Minimal Art. Nederlandse kunstenaars keken vooral naar wat er in Duitsland gebeurde, waar de schilders van de Neue Wilde lak hadden aan de modernistische schilderconventies en figuratieve voorstellingen maakten die lekker ruig en vet geschilderd waren. ‘Mahler ohne Idee’, kalkte Walter Dahn in 1981 in vieze, modderige tinten op een van zijn doeken. Weg met al die ideeënkunst. Vanaf nu gaan we gewoon weer spontaan schilderen wat er in ons opkomt.

Spuitbussen

Begin jaren tachtig kwam uit Amerika bovendien de graffitikunst overwaaien. De 21-jarige Jean-Michel Basquiat toonde zijn werk in 1982 op de Documenta in Kassel, en werd datzelfde jaar nog aangekocht door conservator Martin Visser van Museum Boijmans Van Beuningen. Het Centrum voor Hedendaagse Kunst in Utrecht kocht in 1984 een zeildoek van Keith Haring, dat hij een jaar eerder had volgespoten met zijn karakteristieke poppetjes. En Amsterdam had zelfs zijn eigen graffitigalerie, Yaki Kornblit, waar onder meer de New Yorkse rapper Rammellzee in 1983 exposeerde.

In navolging van de Amerikanen gingen ook Nederlandse schilders als Erik Andriesse en René Daniëls met spuitbussen in de weer. Andriesse, zelf in het bezit van werk van Rammellzee, schilderde en spoot zijn bloemen als ‘tags’ op het doek. En Daniëls richtte samen met Hewald Jongenelis, Rob Scholte en Roland Sips het collectief ‘Spray Armee’ op, als tegenreactie op de Amerikaanse graffitispuiters. Onder het mom ‘wat die jongens doen, kunnen wij beter’, werkte het viertal in juni 1983 drie dagen lang in ’t Meyhuis in Helmond aan een gezamenlijk graffitikunstwerk dat zich uitstrekte over in totaal 26 rollen papier. ‘Hollandse gravity’, noemden ze het eindresultaat. De rollen bleken nog te bestaan en lagen opgeslagen in het depot van het Van Abbemuseum, zo ontdekte Bosma. Voor de tentoonstelling in Utrecht worden ze voor het eerst in bijna dertig jaar weer uitgerold.

Een ander werk uit die vroege jaren tachtig waar Bosma op stuitte, is Rom 87, het debuut van Sandra Derks en Rob Scholte. De piepjonge Derks en Scholte hadden destijds een relatie en deelden een atelier. Geld voor dure materialen was er niet, en dus gebruikten ze een simpel kleurboek van de Hema en goedkope ecolaverf voor hun stripachtige reeks tekeningen. De lieflijke illustraties, aan elkaar geplakt in rasters van in totaal 44 vierkante meter, kregen gaandeweg een steeds luguberder karakter, met veel doodshoofden en vogelverschrikkers. In 1982 was de serie voor het eerst te zien in kunstenaarsinitiatief W139 in Amsterdam, waar het door criticus Paul Groot van NRC Handelsblad tot „een meesterwerk” bestempeld werd. En het moet gezegd: ook nu het na bijna dertig jaar weer uit de krochten van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed is opgediept, oogt Rom 87 nog opvallend sprankelend en spontaan.

Het snelle leven

Die vitale, energieke periode in de kunst duurde volgens Bosma tot 1984. „Daarna dienden stromingen als Neo Geo en Appropriation Art zich aan. Maar ook coke en heroïne eisten hun tol. Na 1984 was de onbevangenheid weg, het wereldje werd steeds cynischer. Kunstenaars die het in Nederland gemaakt hadden, gingen naar New York om zich daar in het snelle leven te storten. Er ontstond concurrentie: wie heeft de grootste? Wat dat betreft was het een echte mannentijd.”

Maar de nalatenschap van de punkgeneratie is groot. „Ik zie een duidelijke analogie tussen het No Future van toen en de huidige Occupy-beweging”, zegt Bosma. „Maar ook de internetpioniers van Xs4all en WikiLeaks komen voort uit die tijd. Het idee om zoveel mogelijk informatie toegankelijk te maken voor iedereen, dat sluit helemaal aan op de aloude punkgedachte.”

Volgens Bosma is zelfs koningin Beatrix een beetje punk, met haar duidelijke stellingname tegen de ideeën van Geert Wilders. De titel God Save The Queen, destijds door The Sex Pistols nog met zoveel cynisme gezongen, mag je wat Bosma betreft dus best serieus nemen. „Beatrix doet het nu goed. Ik loop al jaren rond met het idee voor deze tentoonstelling. Maar ik wilde hem per se maken voordat Beatrix aftreedt en we weer een nieuwe kroning krijgen.”

God Save The Queen. Kunst, kraak, punk: 1977-1984. 3 maart t/m 10 juni in het Centraal Museum, Utrecht.