Kort korter kortst in punkliteratuur

De performing poets glorieerden in de punkjaren. Maar een vruchtbare tijd voor romans was het niet.

Tijdens punk moest alles kort zijn: kort haar, korte songs en als er dan per se literatuur bedreven moest worden, dan ook kort, graag. De performing poets bloeiden op. Bart Chabot deed voor het eerst van zich spreken. Eveneens in Den Haag was de onlangs overleden Adriaan Bontebal de spil van de literaire doe-het-zelfcultuur vanuit kraakbolwerk De Blauwe Aanslag. Bontebal was ook een van de uitvinders van het Zeer Korte Verhaal. Geen franje, meteen tot de kern komen en snel weer wegwezen – daar ging het om. Internationaal timmerde Kathy Acker aan de weg met experimenteel proza in onder meer Blood and Guts in High School.

Punk drukte zich luid en duidelijk uit. The Ramones zongen:

Beat on the brat

Beat on the brat

Beat on the brat with a baseball bat

Oh yeah, oh yeah, uh-oh.

Of de Sex Pistols, die nota bene onlangs een nieuwe platendeal tekenden (In Bodies):

Fuck this and fuck that

Fuck it all and fuck a fucking brat

Niet direct een cultureel klimaat of sfeer waarin de literatuur gemakkelijk tot volledige wasdom kon komen. In ieder geval niet de roman: het literaire genre bij uitstek van de burgerij – en alleen al om die reden verdacht.

De romans over punk begonnen pas mondjesmaat te verschijnen toen punk al lang dood en begraven was – de punkroman is een postuum genre. Dichteres Diana Ozon schreef haar ultrakorte roman Kraker Jack in 1991. Het was een luchtige satire op de punk- en kraakwereld, die inmiddels stuurloos was geworden – ‘No Future’ was na zoveel jaar niet meer vol te houden – en zich in dienst liet nemen door de Colombiaanse drugsmaffia, om de zojuist ontsloten markt van Oost-Europa van het witte poeder te voorzien.