Kamerleden zijn lui met grondrechten en verdragen

De VVD wil dat het parlement meer invloed krijgt op de uitvoering van verdragen. Die invloed bestaat al, maar Kamerleden maken daar nooit meer gebruik van, schrijft Barbara Oomen.

De kop ‘VVD wil meer invloed parlement bij internationale verdragen’ doet denken aan ‘Nederlands elftal wil meer invloed op het eigen voetbal’ of ‘Mark Rutte wil meer invloed op het kabinetsbeleid’. Juist Nederlandse parlementariërs hebben tal van ongebruikte instrumenten om de inhoud, goedkeuring en uitvoering van verdragen te beïnvloeden. In plaats van daarvan weer gebruik te willen maken, doen de VVD-Kamerleden twee voorstellen, waarvan het eerste niet mag, en het tweede allang kan.

Het eerste voorstel is om de rechtstreekse werking van verdragen te clausuleren met een zinsnede „behoudens voor zover bij wet anders is bepaald”. Het idee is dan klaarblijkelijk dat het parlement bepaalt dat bepaalde mensenrechten, waar zij schuren met het Nederlandse beleid, geen rechtstreekse werking krijgen. Als Nederland wil discrimineren in het toekennen van sociale zekerheidsrechten, zo geven zij als voorbeeld, dan moet het parlement dat kunnen aantekenen bij het verdrag in kwestie. Dit mag niet. Pacta sunt servanda. Je kunt niet in New York plechtig met de Verenigde Naties afspreken alle mensen gelijk te zullen behandelen om daar thuis een heel andere draai aan te geven.

Hiermee is niet gezegd dat het parlement zich niet kan uitspreken over de werking van verdragen. Het zou dit juist meer moeten doen, eigenlijk al in de fase van de onderhandelingen. Zo onderhandelden volksvertegenwoordigers Klompé en Beaufort (beiden KVP) in 1948 driftig mee over de Universele Verklaring van de Rechten van Mens. Juist parlementariërs als Serrarens (KVP) en Van der Goes van Naters (PvdA) spanden zich in voor democratische controle op de supranationale rechtsorde, zoals in de Raad van Europa. Dit was te belangrijk om over te laten aan technocraten. Ze gaven in de jaren vijftig een grote rol aan het parlement bij de goedkeuring van verdragen.

Zij zouden zich in hun graf omdraaien als ze zagen hoe het zwaarbevochten parlementaire instrumentarium ligt te verstoffen. In de fase van verdragssluiting onderhandelen ambtenaren over belangrijke verdragen, niet gehinderd door enige parlementaire richting of belangstelling. Hoewel het parlement elk verdrag uitdrukkelijk kan goedkeuren en daarmee iets over de rechtstreekse werking kan zeggen, passeren de meeste verdragen onbesproken. Het Verdrag inzake Gedwongen Verdwijningen is een voorbeeld; pas nu vader Zorreguieta op grond van dit verdrag dreigt te worden vervolgd, ontstaat er iets van belangstelling.

Veel verdragen hebben de Nederlandse burger veel nuttigs te bieden. Ze liggen bij de regering op de plank zonder dat er een Kamerlid naar kraait. Bijvoorbeeld het optioneel protocol bij het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten, dat kinderen die thuis zitten omdat geen school hen wil toch recht op onderwijs geeft. Of het Verdrag voor de rechten van mensen met een beperking, dat mensen in een rolstoel helpt eindelijk toegang tot stations te krijgen. Of het Verdrag inzake Huiselijk Geweld en Geweld tegen Vrouwen, een probleem met jaarlijks 200.000 slachtoffers in Nederland.

Over al deze verdragen en hun rechtstreekse werking kunnen parlementariërs zich uitspreken. Daarvoor is echt geen wijziging van de Rijkswet nodig. In het verleden debatteerde de Kamer serieus over de invulling van verdragen. In de jaren zeventig bepaalde het parlement bij de goedkeuring van het Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten dat de rechten op onderwijs en gezondheidszorg geen rechtstreekse werking hebben. De rechter verwijst nog steeds braaf naar deze Kamerdiscussie als een ongedocumenteerde vrouw geen noodzakelijke zorg krijgt, hoewel internationaal allang is bepaald dat die rechtstreekse werking er wel is.

In de zaken waar de Nederlandse rechter verdragsbepalingen rechtstreekse werking toekende, hadden wetgever en parlement het er ook wel naar gemaakt. De SGP-zaak is hiervan het meest flagrante voorbeeld. Bij goedkeuring van het Vrouwenverdrag beloofde de minister al aan de Kamer niets te zullen doen met de bepaling over politieke participatie van vrouwen. De Staat en het parlement zijn jarenlang door het Vrouwencomité gewezen op verdragsschending door het ongemoeid laten van de SGP. Toch lieten zij het aankomen op een rechtszaak. Nu wachten ze weer op het Hof in Straatsburg.

De Grondwetgever draagt ook verantwoordelijkheid voor de grondrechten in verdragen. Als burger, gesteld op die grondrechten, valt het mij steeds op hoe lui en onverantwoordelijk parlementariërs omgaan met deze verantwoordelijkheid.

De parlementariërs van de VVD willen graag de Grondwet wijzigen. Dit is hun goed recht. Het zou hen evenwel sieren als ze zich er eerst eens in zouden verdiepen.

B.M. Oomen is hoogleraar sociologie van de mensenrechten aan de Universiteit Utrecht. Ze doceert aan de dependance van deze universiteit in Middelburg, het University College Roosevelt Academy.