In het restaurant mag de vieze luier gewoon op tafel

Het was al donker, toen ik vorige week met mijn dochter van drie maanden de deur uit ging. Hup, in de draagzak, stukje lopen, een taxi zoeken.

Maar daar stond mijn buurvrouw voor haar deur. „Neem je haar mee? Grote genade! Het is al avond, laat haar toch thuis!”

Ik ben al gewend aan de babybemoeizucht hier in Jakarta. Sinds Raiza werd geboren, krijg ik te horen wat ik allemaal verkeerd doe. Het begon al met de eerste wandelingen door de buurt, vlak na haar geboorte. Lekker wat buitenlucht in het namiddagzonnetje.

Maar elke buurtgenoot die ik tegenkwam, reageerde geschokt. Nog geen maand oud? Kasian, wat zielig! In Jakarta mogen baby’s pas na veertig dagen de deur uit, in Bali is dat zelfs drie maanden. Moeders blijven ook lang binnen na de bevalling, ingesnoerd in een korset om de buik weer plat te krijgen.

Voorts had elke Indonesiër die bij ons langskwam iets aan te merken. Die rode vlekjes op haar borst, smeerde ik haar wel in met kayu putih-olie? Ze snurkt een beetje, kan ze wel goed ademhalen? Moest ik haar hoofd niet kaalscheren, zoals men hier doet om de onzuiverheid uit de baarmoeder kwijt te raken en mooier haar te krijgen? En was het nou een jongetje, zo zonder oorbellen?

Toch kan ik dit soort ongevraagde adviezen goed hebben. Want er staat tegenover dat men bijzonder lief is tegen kinderen. Raiza werkt als een magneet op kirrende vrouwen én mannen. Wat schattig, hoeveel maanden is ze, hoeveel weegt ze? Iedereen onthoudt haar naam.

Het zal je hier ook nooit gebeuren dat een restaurant plotseling ‘vol’ is, wanneer je met je pasgeborene komt aanzetten. Alle serveersters maken het je juist zo gemakkelijk mogelijk. Toen ik laatst tijdens een etentje een luier wilde verschonen op het toilet, greep het personeel in. Daar is zo weinig ruimte, straks valt ze nog, doe het gewoon op een tafeltje.

In een ander restaurant wilden de serveersters haar van me overnemen, zodat ik rustig kon eten. Ze waren diep teleurgesteld dat ik haar liever zelf vasthield.

Wat in Nederland geldt als verwennen, is hier normaal. Je hoort Indonesische baby’s zelden huilen, want ze worden de hele dag vastgehouden. Hier geen box of bedje in huis, waar de baby af en toe in zijn eentje ligt. Als mama en papa geen tijd hebben, doet de ‘babysister’ het wel. In dure winkelcentra zeulen nanny’s met enorme kinderen, soms wel van een jaar of zes.

Vandaar dat hier lichte consternatie ontstaat, zodra mijn dochter begint te huilen. Zoals toen ik haar éven had weggelegd om snel iets te eten te maken. Terwijl ik haar gekrijs probeerde te negeren, stond binnen twee minuten onze mannelijke schoonmaker naast de box. „Ze huilt!” Toen ik niet onmiddellijk in actie kwam, ging hij zelf maar een liedje voor haar zingen.

Ook oudere kinderen krijgen veelal hun zin. Wij keken de afgelopen jaren bezorgd toe hoe onze schoonmaker zijn vijfjarige zoontje dagelijks mierzoete drankjes liet kopen van de marskramers die langs ons huis komen. Slecht voor zijn tanden en duur voor zijn ouders. Maar nee zeggen lukte niet, legde zijn vader uit. „Dan gaat hij huilen.”

Het is hier altijd zo geweest, las ik in een artikel over kinderopvoeding op Sumatra uit 1938, dat opgenomen is in het boek Leer mij je liefhebben van Kristine Groenhart. Volgens zendelingsvrouw Jo Liese werden moeders toen al „voor ons gevoel volkomen door het kind geregeerd”. Ze beschrijft hoe kinderen beginnen te huilen als ze in het ziekenhuis medicijnen moeten slikken. „Heel vaak hoor je dan de moeder beweren: hij wil niet… Nu ja, dus dan gebeurt het niet en gaat de moeder weer weg met haar spruit.”

Maar hoewel de zendelingsvrouw aanvankelijk geschokt was door deze manier van opvoeden, concludeerde ze later dat het wél werkt. Want, schreef ze, leefden al die verwende kinderen als volwassenen niet harmonieuzer samen dan „in onze ontwrichte westerse samenleving?”

Ik kan het alleen maar beamen, als ik zie hoe men in deze disfunctionele derdewereldstad zijn geduld en glimlach weet te bewaren. En ik pak mijn dochter dus maar snel weer op.