Hij kon gewoon niet meer tegen dat gezeik van haar

Wie: Vincent H. (42).

Waar: rechtbank Utrecht.

Staat terecht voor: poging tot doodslag en toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij zijn vriendin.

Voor de deur van de rechtszaal zit een vrouw met hennarood haar te wachten. Ze draagt een paars vest, de wangen van haar smalle gezicht zijn ingevallen. Elke vingernagel heeft ze in een andere kleur gelakt.

De vrouw is het slachtoffer van de man die zo voor moet komen bij de meervoudige kamer van de rechtbank in Utrecht, de 42-jarige Vincent H.

Op 29 augustus heeft hij haar in hun woning geslagen, geschopt en bij de keel gegrepen tot ze geen lucht meer kreeg. Bij de politie verklaarde ze daarna dat ze op het punt stond buiten westen te raken toen hij haar keel losliet. Een dag later zei ze dat ze niet dacht dat hij de bedoeling had haar om het leven te brengen.

Als ze de zaal in gaat, wijst de bode haar een stoel aan op de derde rij. Maar ze gaat helemaal vooraan zitten, dicht bij de stoel waar de verdachte zo komt te zitten. Sinds de avond van de mishandeling, 91 dagen geleden, zit Vincent H. vast. Twee agenten escorteren hem de zaal in. Hij is kalend en draagt een blauw sportjack.

De vrouw met het rode haar staat op, steekt haar hand naar hem uit, maar houdt de rest van haar lichaam op afstand. H. schudt haar hand. Als de agenten doorkrijgen wie de vrouw is, sturen ze haar een paar rijen naar achteren.

Tegenover de rechters presenteert H. zich als het type joviale Amsterdammer. Hij noemt zichzelf „de grootste goedzak die er is”. Maar als hij gelijk heeft en iemand gaat tóch door, legt hij diegene „wel in de knoop”.

Maandag 29 augustus was eigenlijk een mooie dag geweest, vertelt H. aan de rechters. Hij en zijn vriendin hadden sinds kort een woning. Die dag had hij gewerkt bij de bloemenveiling, het bedrijf had hem net een contract gegeven. De toekomst zag er goed uit. Jammer dat zij zo wispelturig was. Soms, als ze samen op stap waren geweest, wilde ze ineens niet meer mee naar huis. Meestal had zij dan te veel gedronken. En hij ook.

Die bewuste maandagnamiddag was Vincent in slaap gevallen op de bank. Toen zijn vriendin thuiskwam, begon ze „meteen te zeiken”. Dat hij al het bier had opgedronken, porno had zitten kijken en naar Thailand zou hebben gebeld. In het begin van hun relatie zou hij haar met een Thaise hebben bedrogen.

H., net wakker, schreeuwt: „Hou op met zeiken, kankerhoer!” en geeft haar naar eigen zeggen „een schop onder d’r kont”. Als ze niet ophoudt met schreeuwen, pakt hij haar bij de keel en knijpt die dicht.

Haar dochter, die toen bij haar woonde, hoort dat het uit de hand loopt tussen Vincent H. en haar moeder. Volgens de dochter wordt haar moeder al twee jaar lang bijna elke dag mishandeld. H. is daarvoor ook al een keer veroordeeld. De dochter ziet de twee worstelen en belt 112.

H. loopt eerst de dochter achterna, maar komt dan terug en probeert weer haar keel dicht te drukken. Als de agenten de trap op zijn gerend, zit de vrouw voorovergebogen op de bank, met piepende ademhaling.

Vincent H. zegt tegen de rechter: „Ik heb haar niet geprobeerd te vermoorden, anders had ik haar keel toch wel langer dichtgeknepen?”

Hij claimt geen vlaag van verstandsverbijstering, zoals de meeste verdachten. Wat hij deed was „gecontroleerd”. Hij kon gewoon niet meer tegen dat gezeik, zegt hij geëmotioneerd. Hij snikt: „Dat het zó kut is thuis dat je wou dat je weer op je werk was.”

De rechter vraagt: „U bent boos, begrijp ik, om hoe ú bent behandeld?”

Eigenlijk wel, zegt Vincent. Ook omdat hij door de detentie zijn baan kwijt is, legt hij uit. „Ik had al drie keer betaald kunnen krijgen.” Hij somt op: „Extra voor overuren, een eindejaarstoeslag.”

De oudste rechter lijkt wat geïrriteerd te raken. „U bent een gefrustreerde man en de hele wereld is tegen u.”

Vincent H.: „Ik weet wanneer ik gelijk heb, maar verder kun je met mij alle deuren door.”

De rechter constateert droogjes: „Zolang het uw eigen deuren zijn.”

De vriendin van H. heeft hem al twee keer opgezocht in de gevangenis. Het is niet zo, zegt ze voorafgaand aan de zitting, dat ze nu weer gewoon samen verder gaan. Maar ze vindt dat hij na drieëneenhalve maand zitten eigenlijk wel genoeg is gestraft. „Er ging natuurlijk ook wel wat aan vooraf.”

Dat zal best, vindt de officier, maar wat er is gebeurd, kan niet. Vincent H. heeft zijn vriendin al eerder mishandeld en ook nog de agenten bedreigd en getrapt die na het telefoontje van de dochter waren gekomen. Hij eist twee jaar gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Ook moet H. zich laten behandelen om zijn geweldsuitbarstingen te leren beheersen. De rechters willen meer duidelijkheid over de psyche en de zelfkennis van H. en vragen de reclassering een rapport over hem te maken. Pas daarna zullen ze uitspraak doen.

Als Vincent H. de zaal uit wordt geëscorteerd, grijpt zijn vriendin de gelegenheid om haar hand weer naar hem uit te steken, waar hij een kus op drukt. „Doei Vin”, roept ze.

Maanden later komt de zaak opnieuw op zitting. De reclassering concludeert dat H. niet de vaardigheden heeft om problemen die hij ervaart op te lossen. De rechter legt hem de geëiste straf op, hij moet 18 maanden zitten en zich laten behandelen.

In de gevangenis heeft hij zijn vriendin ten huwelijk gevraagd en zij heeft ja gezegd.

Merel Thie