Het is pas een hit als Jan Smit het oppikt

In Nederland is kawina onbekend. Toch zou deze Surinaamse muziek de nieuwe reggae kunnen zijn.

Leendert van der valk

Tot halverwege de avond is het een verjaardagsfeestje als elk ander. De vrienden en familie van de dertigjarige wiegen loom mee op Amerikaanse hiphop en r&b in een zaaltje in Amsterdam-West. Maar dan komt er een vijftienkoppige band binnen. De mannen van La Rouge slepen hun percussie-instrumenten het kleine podium op. Twee minuten later klinken snelle drumslagen over een stuiterende socabeat. Jong en oud zingen mee in Sranantongo.

La Rouge bestaat uit Nederlands-Surinaamse twintigers en dertigers die westerse muziek combineren met zogenaamde kaskawina. Dat is een dansbare mix van de Surinaams-Caribische kaseko en van kawina: Creoolse muziek gebaseerd op Afrikaanse percussie. Ze gebruiken traditionele instrumenten als de kwa-kwa bangi, een houten bankje waarop met stokken het basisritme wordt gespeeld en de skratsji, een bass drum met een klein bekken erop.

Zodra de band pauzeert, vertraagt de springerige beat weer tot de hiphop van de dj. De kaskawina is populair onder Surinaamse Nederlanders, zegt zanger en bandleider Isaac Menso (39). Ook bij de jongere generatie. „We spelen vaak op dit soort besloten feestjes, maar grote openbare optredens doen we minder.” Als die er wel zijn, is dat meestal op Surinaamse festivals.

Het autochtone Nederlandse publiek is nauwelijks bekend met Surinaamse muziek. De meeste mensen komen niet verder dan de carnavalshit ‘Wasmasjien’ van Trafassi uit de jaren tachtig, wat oorspronkelijk eigenlijk niet eens een Surinaams, maar een Antilliaans nummer was. „We proberen ook autochtone Nederlanders te bereiken, maar dat blijkt lastig”, zegt Menso. Zijn band bestaat al bijna twintig jaar. „Toch is het belangrijkste dat je gewoon heel goed speelt, dan slaat het uiteindelijk wel aan.”

Volgens muzieketnoloog en fluitist Ronald Snijders (60) is goed spelen voor Surinaamse bands niet voldoende. „Het wordt niet of nauwelijks opgepikt door de media, dat is altijd al zo geweest. Heel jammer, want Nederland verspeelt daardoor veel van zijn culturele rijkdom.” Vanuit Delft verkent hij al veertig jaar het brede, muzikale palet van zijn geboorteland Suriname. „Omdat Nederlanders de Surinaamse muziek niet te horen krijgen, vragen ze er ook niet naar. De focus ligt volledig op Amerika. En als Nederlanders wel world music willen horen, dan moet het meteen uit de Afrikaanse jungle komen en mag er geen stekker aan te pas komen.’’

Het lijkt er op dat elders in de wereld zelfs meer interesse is in Surinaamse muziek dan hier. Onlangs was de Amerikaanse antropoloog en musicoloog Kenneth Bilby in Nederland. Na jaren onderzoek in Suriname en het Caraïbisch gebied concludeerde hij dat „Afro-Surinaamse muziek niet hoeft onder te doen voor reggae en calypso, als het maar goed wordt gepromoot.”

Bilby’s onderzoek is voornamelijk gericht op de Marrons, afstammelingen van gevluchte slaven in het Surinaamse binnenland, maar volgens muzieketnoloog Snijders geldt zijn claim net zo goed voor de stadsmuziek kaseko en kawina. „Een van de grootste internationale pophits van het afgelopen decennium, ‘Hips don’t lie’ van Shakira en Wycleff Jean is gebaseerd op een kawinaritme, maar niemand weet het. De man die het nummer mixte, is een Surinamer.”

In de jaren zestig en zeventig kregen reggae en ska, de muziek uit de net onafhankelijke kolonie Jamaica, veel aandacht in het Verenigd Koninkrijk. Hetzelfde gold voor calypso en soca uit Trinidad. Deze muziek is gemengd met westerse invloeden en overal ter wereld te horen. In Nederland had de voormalige kolonie Indonesië invloed op de popmuziek; de indorock was in de jaren vijftig voor velen de eerste introductie in rock-’n-roll. Je zou verwachten dat Surinamers in de jaren zeventig ook hun stempel drukten op de Nederlandse muziek, maar dat is beperkt gebleven. Snijders: „Terwijl overal gemengde huwelijken zijn, blijft de muziek gescheiden.”

Toch is het te makkelijk om alles op de Nederlandse media af te schuiven, weet ook Snijders. „Surinamers hebben niet geleerd om zichzelf uit te dragen, ze zijn historisch altijd erg op Nederland gericht geweest. Je ziet dat kasekomuziek ook in de omliggende landen minder invloed heeft dan bijvoorbeeld salsa of reggae. Nog steeds vinden we het heel gewoon dat we die muziek alleen onder elkaar delen. Terwijl het tijdens feesten en bruiloften normaal is om traditionele Surinaamse muziek te spelen, is de culturele waardering ervoor ook binnen de eigen gemeenschap laag. Ook Surinamers zijn muzikaal steeds meer op Amerika gericht. In die liedjesprogramma’s op de Nederlandse televisie staan meisjes die mijn volbloed nichtjes hadden kunnen zijn, maar er komt geen noot Surinaams uit.”

Was er niet onlangs een grote, deels Surinaamse hit in Nederland? Zanger Damaru stond met ‘Mi Rowsu’ (‘Tuintje in mijn hart’) lange tijd op nummer één, al moest hij daarvoor wel de credits delen met Jan Smit. Volgens Snijders bevestigt dat vooral de Nederlandse blik. „Het wordt hier een hit, omdat Jan Smit het oppikt. Dan luistert men wel. Terwijl er in Suriname wel honderd van zulke liedjes zijn. Je ziet dat het Damaru niet lukt om hier in zijn eentje een tweede hit te scoren.”

In de pauze van zijn optreden heeft zanger Isaac Menso even tijd om te praten over zijn plannen met La Rouge. Vanuit de zaal klinkt weer hiphop, in de door Hollanders bezochte bar ernaast draaien ze André Hazes. Menso heeft serieuze plannen om de brug naar de autochtone Nederlanders eindelijk te slaan. De band bracht al meerdere cd’s in eigen beheer uit, die het vooral in Suriname en in de Nederlands-Surinaamse gemeenschap goed deden, maar nu wil hij een Nederlandstalig album maken. Er is al een platencontract. „Ik denk dat we met de Nederlandse taal de muziek toegankelijker maken en dat media het dan wel zullen oppikken.”