Grimmig en vrolijk: punk

Begin jaren tachtig ben ik in Berlijn – West-Berlijn, toen nog – op bezoek geweest bij jonge kunstenaars die in een gekraakt pand vlak bij de Muur woonden en werkten, en hun fel gekleurde schilderijen over de Muur gooiden, om zo de Oost-Duitsers kennis te laten maken met verdorven westerse kunst.

Het was grimmig en vrolijk tegelijk, zoals eigenlijk vrijwel alle muziek en kunst uit de punkperiode. Alles was doordrenkt met het gevoel ‘er is geen toekomst, dus laten we er wat van maken’. Du hast Keine Chance, also nutze sie, was de kreet in Duitsland, waar de ‘Neue Wilde’ schilders aantraden. No Future, zongen de Sex Pistols in het nummer God Save The Queen. Dat was in 1977, dit jaar precies 35 jaar geleden. De Sex Pistols zelf gaan op de herdenkingstoer: ze hebben deze week een platencontract getekend, om hun eerste plaat Never Mind The Bollocks, Here’s The Sex Pistols opnieuw en in uitgebreidere versie uit te brengen.

In het Centraal Museum in Utrecht wordt vanaf zaterdag teruggekeken op de kunst uit die punkperiode, in de tentoonstelling God Save The Queen. Kunst, kraak, punk 1977-1984. Over het krakersgeweld en de hoge drugsconsumptie in die jaren is al veel gepubliceerd. Maar hoe creatief vruchtbaar de punkjaren waren, ook in Nederland, voor bijvoorbeeld de beeldende kunst, dat is nog nooit zo uitgebreid getoond. De expositie in Utrecht is aanleiding voor de CS-redactie om in dit nummer de culturele erfenis van de punkjaren te belichten, van onbekende schilderijen tot punktheater, van piratentelevisie tot performing poets. Een ambacht leren was niet nodig. Als je wilde schilderen, pakte je gewoon wat kwasten of een spuitbus, als je muziek wilde maken, hing je een gitaar om je nek en ramde je er wat akkoorden uit. Of nog beter: je deed het allebei. Dubbeltalenten waren er in deze tijd volop. ‘Hochgemute Nichtskönner’, noemde een Duitse criticus destijds de punkschilders – hooggestemde nietskunners. Hij zat ernaast, willen we met deze punkspecial laten zien.