Dickens als topscenarist

Charles Dickens, 200 jaar geleden geboren, is de meest verfilmde auteur ooit. Zitten we nog te wachten op de zoveelste Oliver Twist?

George Orwell meende dat Charles Dickens door zijn oer-Britsheid niet was bestemd voor internationale faam. Die voorspelling is in elk geval gelogenstraft. Orwell dacht in literaire termen, maar het is de cinema die Dickens wellicht zijn grootste internationale roem heeft bezorgd. Zijn ongekende trefzekerheid in de selectie van representatieve gebeurtenissen en zijn ongekende scherpte van dialoog behoren tot de redenen die hem tot de meest verfilmde romancier heeft gemaakt.

Daarom onder meer eert het British Film Institute in Londen hem deze maanden met een ongekend uitgebreid filmretrospectief en zijn in Nederland de fameuze versies van Oliver Twist en Great Expectations van regisseur David Lean op dvd opnieuw uitgebracht, de laatste in een box met een aantal oudere televisieverfilmingen, waaronder een van Hard Times uit 1977 die niet onverdienstelijk blijkt.

En het gaat maar door. De BBC produceerde net een nieuwe The Mystery of Edwin Drood (Dickens’ laatste, onvoltooide roman), en de zoveelste Great Expectations staat op de rol. En het blijft niet beperkt tot Groot-Brittannië: Deventer is jaarlijks in december Dickens-stad, en de vieringen, maar ook verfilmingen, gaan de hele globe rond, en hebben dat altijd gedaan. Van een Scandinavische Little Dorrit uit 1924 tot een Portugese Hard Times uit 1988.

De grote vraag is natuurlijk of we nog zitten te wachten op de zoveelste Oliver Twist (hoe goed die van Polanski een paar jaar geleden ook was). En het weerwoord dat de meeste mensen na korte tijd de complexe plots van Dickens’ boeken toch vergeten zijn en het dus wel weer opnieuw kan, is weinig hoopgevend. Maar juist de vaak onnavolgbare plotwendingen waarin kennelijk niet zijn primaire charme ligt, suggereren dat andere aspecten van Dickens’ werk hem de aartsvader van de cinema hebben gemaakt.

De cinema, met zijn massapubliek en melodrama, met zijn wortels in de toverlantaarn maar ook in de triomf van techniek en vooruitgang, komt natuurlijk voort uit de Victoriaanse tijd waar Dickens de belichaming van was. Chaplin, wiens eerste langere film The Kid de onmiskenbare en door Chaplin ook bevestigde sporen van Oliver Twist draagt, is in zowel zijn onweerstaanbare humor als in zijn moralisme en maatschappijkritiek een evidente erfgenaam. Maar er zijn meer redenen, en die zeggen iets interessants over het medium, en over Dickens’ statuur als schrijver.

Zoals gezegd is Dickens’ compositorische techniek uiterst virtuoos. Ook binnen de scènes zelf is hij uiterst visueel. Het licht en de lucht, of het gebrek eraan, worden door hem paradigmatisch gemaakt voor de morele lading van zijn vertelling.

Het beroemdste voorbeeld daarvan is zonder twijfel de weergaloze beschrijving van de Londense mist waarmee Bleak House begint, en die de ondoorzichtigheid en duisternis van het rechtssysteem verbeeldt. Dat de zeer geslaagde bewerking van de roman door de BBC (2004) niet met die eminent verfilmbare sfeertekening begint, zal zijn omdat het er in de ogen van de makers blijkbaar te dik bovenop lag, dat ze door Dickens te volgen te veel de slaaf van Dickens zouden worden. Toch is en blijft Dickens’ strategie hier precies de visuele benadering die de cinema nodig heeft, die immers niet kan vertellen maar moet laten zien.

Volgzaamheid aan de tekst, of beter, het script van Dickens ligt voor de hand, en ligt dan ook ten grondslag aan de magistrale verfilming van Great Expectations door David Lean uit 1946, die begint met een shot van het open boek en voice-over van de eerste zinnen. En het is juist het licht dat, alweer, een bepalende rol in de film speelt, bepalender zelfs dan bij Dickens. Vanaf de duistere lucht van het tweede shot af maakt hij het licht tot thema: in de laatste scène laat protagonist Pip, door de verstofte gordijnen weg te rukken, het licht binnen in het spookhuis van Miss Havisham en opent zo de weg naar een nieuw leven voor hem en Estella.

Juist die scène is een variant op Dickens’ eigen einde, dat de auteur oorspronkelijk trouwens ook wijzigde. Dickens herschreef een sombere versie die de hypocrisie van de Victoriaanse huwelijksmoraal aan de kaak stelde en gaf in een tweede versie een glimp van hoop op een huwelijk. Lean vergrootte dit verder uit, en zijn metafoor was licht – uiterst treffend, ook al kwam die bij Dickens op die plek niet voor.

Leans Great Expectations werd verwelkomd als Britain’s finest film door een pers die daarmee aangaf dat er een oorlog om Dickens gaande was waarin de Britten nu een slag wonnen: met name in de gouden jaren deed Hollywood zich tegoed aan Dickens, en Lean eiste hem voor de Britse eilanden opnieuw op. Gezien de gestage vloed van met name televisiebewerkingen, vaak met terugkerende acteurs die zich tot Dickens-specialisten ontwikkelen, is het een exportproduct van formaat geworden.

Daarbij verkopen de Britten hun spreekwoordelijke excentriciteit: Dickens loopt over van de krankzinnige ‘types’, zoals wij ze hier kennen van Koot en Bie. Maar dat is ook, naast Dickens’ voorliefde voor melodrama, de reden voor veel literaire kritiek op zijn werk geweest: het zou oppervlakkig zijn. Daar zit ook wel wat in. Wie eerst een roman van Stendhal en dan een van Dickens ter hand neemt, zal geschokt zijn door het schrille contrast tussen de messcherpe psychologie en aandacht voor de binnenwereld in al haar nuances van de eerste, en de narratieve en psychologische voortvarendheid en naïviteit van de laatste.

Maar daar ligt nu juist de cinematografische kracht van Dickens: zijn oog voor het absurde detail, zijn onmetelijke creativiteit in de opsomming van wat je kunt zien en zijn vermogen om de zichtbare werkelijkheid een tastbare zin te geven en onmiskenbaar te duiden.