De regels lapte je aan je laars

Alles zelf doen, dat was in de jaren tachtig de trend. Schilders werden zangers, zangers werden filmers. Vier dubbeltalenten over de punktijd van toen.

Het begin van de jaren tachtig staat in het geheugen als een nihilistische periode, met werkloosheid en angst voor de bom. Toch bloeide juist toen de subcultuur, ook in Nederland. In Amsterdam, Nijmegen en Eindhoven experimenteerden muzikanten met de nog primitieve elektronische apparatuur of bedachten jongeren dat je een eigen tv-station kon beginnen.

De activiteit ontstond door een samenloop van omstandigheden: de levendige kraakbeweging (waardoor er genoeg oefenruimtes en concertzalen waren), de werkloosheid onder jongeren (waardoor mensen tijd hadden voor het experiment) en ten slotte de inspirerende punkboodschap die uit Engeland kwam overwaaien: ‘Do it yourself’ – neem het heft in eigen handen.

Switchen tussen disciplines was de trend: schilders werden zangers, zangers werden filmers, schilders werden nachtclubeigenaar. Hoofdrolspelers van deze microkosmos waren onder anderen zanger/schilder Dirk Polak, zangeres/fotografe Truus de Groot, bassist/schilder Peter Klashorst en gitarist/filmer Rogier van der Ploeg. Hun bands heetten Mecano, Soviet Sex en Nasmak, de muziek was grillig en chaotisch. Het succes was kleinschalig, maar mede dankzij hen werd toen de kiem gelegd voor ontwikkelingen die tot op de dag van vandaag van invloed zijn, zoals samplen en het combineren van verschillende disciplines.

Het was een tijd van economische malaise en de dreiging van de neutronenbom. Toch herinneren Polak, De Groot, Van der Ploeg en Klashorst zich de periode vooral om het gevoel van vrijheid dat heerste. „Er was niets, maar alles kon”, zegt Rogier van der Ploeg.

Van der Ploeg (1961) zag in 1977 een optreden van punkband The Stranglers en besloot meteen dat hij muziek wilde maken. Met zijn broer Maarten en Peter Klashorst, die op de Rietveld Academie zaten, richtte hij in 1980 de psychedelische punkband Soviet Sex op. „De vrijheid die punk bood, was een antwoord op de periode daarvoor. De hippies beloofden ook ooit vrijheid, maar zij raakten verstrikt in dogma’s. Dankzij punk kon je plotseling muziek maken of schilderen zonder dat het op oude voorbeelden hoefde te lijken.”

Absurd was goed

„Alles kon, alles was interessant”, zegt Truus de Groot (1959). De Groot zong, drumde en speelde gitaar in het Eindhovense noisegezelschap Nasmak. „Absurd was goed. Instrumenten mochten primitief zijn en goedkoop. Met stokken op snaren slaan, kon ook. Onze beste muziek ontstond in de kleedkamer als we op radiatoren stonden te rammelen.”

Peter Klashorst (1957): „Als er maar duizend idioten waren die je lp wilden kopen, zat je goed. Vandaar de naam ‘1000 Idioten Records’, van een punklabel uit Twente. De gevestigde platenmaatschappijen hadden geen belangstelling voor onze muziek. Onze lp Happy End was bij een klein publiek wel populair, maar hij was nergens te koop.”

Dirk Polak (1953) werd bekend als zanger/songschrijver van de band Mecano, die dramatische popmuziek speelde. „Ooit werd ik gevraagd voor het achtergrondkoortje van Ramses Shaffy, omdat ik een mooie kopstem had. Vervolgens zakte ik zo vaak door met Ramses dat van die kopstem niet veel over was. Even later richtte ik een band op, Mecano. In het begin konden we nauwelijks iets. Door veel te spelen leerden we snel bij.”

Klashorst: „Dat was onze aanpak: eerst doen, dan leren. Op de kunstacademie wilden ze dat je het langzaam opbouwde: eerst leren schilderen, dan een eigen stijl ontwikkelen en uiteindelijk kon je aan een tentoonstelling denken. Wij deden het andersom. Maarten en ik exposeerden al in het eerste jaar, schilderen leerden we daarna. In de muziek ging het net zo. Eerst optreden, dan met het instrument leren omgaan.”

De Groot: „Iedereen deed alles door elkaar. Ik fotografeerde, schreef gedichten, maakte schilderijen met nagellak. Als je maar iets deed, dat was het belangrijkst. En iedereen was geïnteresseerd in wat je maakte. In Eindhoven ging ik om met René Daniëls. René was heel serieus met kunst bezig, maar hij vond mijn gekke dingen ook interessant.”

Polak: „Terwijl ik al in de band zat, ontdekte ik het schilderen. Ik maakte schilderijen van Meccano-speelgoed, die dan weer de hoezen werden van onze singles en lp’s.”

Van der Ploeg: „Er werd minder in hokjes gedacht, ook tussen mensen onderling. Maarten en Peter maakten elkaars schilderijen af. Het ging niet om het individu, maar om het resultaat. Zo schakelde je heen en weer tussen verschillende disciplines. We zaten in de band, en ik filmde de optredens, want ik zat op de filmacademie. En omdat ik wilde dat andere mensen het ook zagen, begonnen we een tv-station door met een eigen zender in te breken op het signaal van Duitsland 3. Dat werd piratenzender PKP, oftewel ‘Ploeg Klashorst Ploeg’, het eerste tv-station dat liveopnamen van undergroundbands uitzond.”

Klashorst: „De regels lapte je aan je laars. We runden een discotheek, Disco Bizarre, in een kraakpand, zodat wij en onze vrienden daar zelf konden optreden. De disco werd uiteindelijk gesloten op last van de brandweer, nadat De Telegraaf een artikel had geschreven met als kop ‘De meest brandgevaarlijke discotheek in Nederland’.”

Elk kraakpand een galerie

Polak: „Doordat er veel gekraakt werd, kon je overal in het land optreden en exposeren. Elk kraakpand had z’n eigen podium en een eigen galerie.”

Klashorst: „Niemand huurde, iedereen kraakte. Als het huis te vies werd, pakte je je koevoet en kraakte het volgende leegstaande pand. Je deed alles zo goedkoop mogelijk. Schilderen ook. Ik had geen geld voor linnen dus ik schilderde met HEMA-verf op karton. Net als Jean-Michel Basquiat, die later heel beroemd is geworden. Basquiat schilderde op deuren die hij op straat vond, of direct op de muur van de galerie. Als je je maar kon uiten.”

De Groot: „Mensen hielpen elkaar, met spullen, met woonruimte. Ik beschouwde alle Nederlandse muzikanten samen als één grote, jammende familie. Als er gasten kwamen, gingen we meteen spelen in een leegstaande fabriek, in Eindhoven. En als ik ergens op bezoek ging, eindigde dat steevast met een nieuw plan of samenwerkingsproject.”

Polak: „Wat mij betreft viel die homogeniteit wel mee. Ik zag mezelf als een eiland, alle bands waren eilanden. Maar er was een gedeelde moraal. Ik voelde me verbonden met de rebelsheid van de anderen, iedereen zocht verandering, revolutie. En revolutie spreekt me altijd aan. Daar schreef ik bijvoorbeeld het nummer Permanent Revolt over. Al voelde ik me op sociaal niveau niet betrokken bij de meeste andere muzikanten, ik wilde toch een bijdrage leveren. Op mijn platenlabel Torso bracht ik muziek uit van collega’s, zoals van de Nijmeegse connectie: Bazooka, Vice Mekanik Kommando en Das Wesen. Het was een politiek statement, tegen het establishment.”

Klashorst: „Voor alle bands was ‘No Future’ de achterliggende gedachte. Dat sprak uit de teksten en uit de dissonanten in de muziek, die werd expres lelijk gemaakt. Alles wat ik deed zie ik nu als een schreeuw om aandacht, en om verandering.”

De Groot: „Het was leuk, maar het was ook een sombere tijd. Een van de redenen dat ik zo hard bezig was, was om dingen te vergeten. In mijn dagboeken van toen lees ik vooral hoe depressief ik me voelde en hoe afschuwelijk Nederland was. Maar ook: straks ga ik daarheen en dit en dat doen. Heel actief. Uiteindelijk vond ik het frustrerend worden dat ik niet méér kon doen in Nederland. Na driehonderd optredens dacht ik: ‘Er moet meer zijn.’ In 1981 ben ik naar New York vertrokken.”

Van der Ploeg: „Soviet Sex brak op in 1982. Daarna ben ik met mijn broer Maarten de band Blue Murder begonnen. Rond die tijd werden veel mensen serieuzer, wij als muzikant en anderen als schilder. Men begon zich meer op één ding te richten. Want galeries wilden geen schilder die ineens vier maanden met zijn band op tournee was. De grenzen kwamen terug.”

Nog steeds punk

Truus de Groot woont in Escondido, Californië. Ze fotografeert en maakt muziek, onder meer onder de naam +Instruments. „Ik ben nooit meer teruggegaan naar Nederland. In Nederland had ik het wellicht makkelijker gehad, dankzij het subsidiestelsel. Maar daar stond ik niet bij stil, ik koos de moeilijke weg. Ik wilde mijn eigen geld verdienen.”

Rogier van der Ploeg is reclameregisseur en oprichter van productiebedrijf Czar. Zijn broer Maarten kreeg succes als schilder, hij overleed in 2004. Rogier speelt soms nog samen met Klashorst en de vroegere drummer van Soviet Sex. „No Future was de slogan van die tijd. Maar ik had geen doemgevoel. Wij streepten ‘No’ weg, we maakten onze eigen toekomst.”

Dirk Polak schildert en maakt muziek onder de naam Polar Twins. „Mijn muziek van toen leeft nog steeds. Laatst maakten Braziliaanse jongeren een elektroversie van ons nummer Linx, uit 1980. Zo pikten die jongens iets op uit het verleden en maakten er iets nieuws van. Dat is hetzelfde als dat ik me ooit liet inspireren door de Dada-stroming.”

Peter Klashorst woont afwisselend in Bangkok en Cambodja. Hij schildert. „Het gevoel van No Future heb ik nog steeds. Die tijd zit in me. Ik ben nog steeds punk, ik hang nog steeds niet in het museum, ik doe het nog steeds allemaal zelf. Mijn vriendinnetje ziet eruit als de mensen toen. Ze heeft precies zo’n haarlok voor haar oog als ik vroeger had. Laatst vroeg ik me af waarom ik zo verliefd op haar ben. Waarschijnlijk omdat ik in haar het rebelse van die oude tijd herken.”