Column

De culturen in het continent Europa

Wanneer wij over de Europese cultuur spreken – en die uitdrukking wordt nogal vaak in de mond genomen – wordt het woord cultuur meestal gebruikt in de betekenis van intellectuele gemeenschap of bedoeld als geheel van beeldende en uitvoerende kunsten. Als intellectuele gemeenschap heeft Europa misschien bestaan in de Middeleeuwen, toen er één geloof heerste, het rooms-katholieke, en de geletterden met elkaar in één taal communiceerden: het Latijn.

Later is die Europese cultuur nog terug te vinden in de ‘Republiek der Letteren’, ook een gemeenschap van geleerden, waarin Frans meestal de gemeenschappelijke taal was. Een laatste manifestatie van die cultuur is de tussen 1989 en 1991 uitgegeven briefwisseling van de historicus J. Huizinga (1872-1945), die met de geleerden van Europa in het Frans, Duits en Engels van gedachten wisselde – een waar monument.

Deze cultuur bestaat niet meer. Althans volgens de Franse historicus Pierre Nora, bekend om zijn lieux de mémoire. In een interview met de Frankfurter Allgemeine van 17 februari zegt hij: „De humanistische cultuur – Latijn, Grieks, geschiedenis, filosofie, talen – is aan haar einde gekomen. Eens verenigde zij de Europese elites, maar zij is aan het verdwijnen. Dit heeft tot versplintering van het culturele landschap van Europa geleid.

„Er zijn vele lokale en regionale successen, maar een echte, door de meerderheid der Europeanen gedeelde waardengemeenschap ontbreekt. Wij beleven thans een renationalisering van alle Europese culturen, vooral omdat de grote ideologische thema’s verdwenen zijn, die eens grensoverschrijdende betekenis hadden.” Hij steekt de hand in eigen boezem: zo is de Duitse cultuur hem „betrekkelijk vreemd”.

Op een gemeenschappelijke cultuur, in de zin die Nora bedoelt, kan het verenigde Europa dus niet gebouwd worden. Maar het woord cultuur heeft nog een andere betekenis, die Van Dale omschrijft als „het geheel van normen, waarden, omgangsvormen e.d. van een organisatie, groep”. De staat is ook zo’n organisatie en groep. Delen de Europese staten dezelfde normen, waarden en omgangsvormen? Welnee. Daar is de versplintering nog groter dan in het Europa der elites.

Dat dit zo is, ondervinden wij thans in de financiële crisis, die in feite een culturele crisis is. Grosso modo loopt er een noord-zuidkloof door Europa. In het Zuiden staat de burger in het algemeen anders tegenover de Staat en zijn wetten dan in het Noorden. In het Zuiden is het normaal die wetten te ontduiken en zich te onttrekken aan de verplichtingen die de staat oplegt, zelfs als het parlement daaraan zijn goedkeuring gegeven heeft. In het Noorden geldt daarentegen gehoorzaamheid aan die wetten en verplichtingen nog veelal als norm.

In het boekje dat Roel Janssen zojuist heeft gepubliceerd over de ontstaansgeschiedenis van de euro, laat hij onder de geïnterviewden ook Wim Kok aan het woord, die spreekt over „een fundamentele vertrouwenskloof tussen Noord- en Zuid-Europa”, die „in zekere zin al bij België” begint. In het Zuiden wordt over het algemeen soepeler gedacht over de civiele discipline dan in het Noorden, omdat de cultuur – in de zin van geheel van normen, waarden en fatsoensbegrip – anders is dan in het Noorden.

Maar heeft het Europese integratieproces, dat in 1950 begonnen is en uitgemond is in de huidige Europese Unie, dan geen eenheid in culturele zin tot stand gebracht? Weliswaar zijn de grenzen tussen de Europese staten grotendeels weggevallen, waardoor het gemakkelijker voor Oost-Europeanen is geworden naar West-Europa te komen (en omgekeerd). Maar wat is het resultaat? Algemene verbroedering? Zijn die Europeanen elkaar in de armen gevallen? Helaas is het omgekeerde het geval. In Nederland is Wilders’ meldpunt over overlast door Midden- en Oost-Europeanen het resultaat. Het blijkt dat de normen, waarden en omgangsvormen van deze Europeanen anders zijn dan die van de Nederlandsers, en dat veroorzaakt wrijving in plaats van verbroedering.

Daarmee is dat meldpunt niet goedgepraat. Zo’n kliklijn hoort niet in een democratische samenleving thuis, maar zij is wél een uiting van een begrijpelijke reactie op andere omgangsvormen. Let wel: we hebben het hier niet over een ontmoeting tussen elites, die over ’t algemeen dezelfde normen, waarden en omgangsvormen delen. We hebben het over de ontmoeting van gewone mensen uit verschillende culturen. Die verloopt minder gemakkelijk dan degenen die in andere buurten wonen dan waar die immigranten zich gemeenlijk vestigen, vinden dat zou moeten gebeuren.

Met deze effecten van het wegvallen der grenzen hebben de stichters van het Europese eenheidsproject helemaal geen rekening gehouden. Dat valt hun niet kwalijk te nemen, omdat er toen grenzen waren en geen massale migratie. Dat degenen die nu de parlementen – de nationale en het Europese – bevolken, er nog grotendeels de ogen voor sluiten, omdat die effecten niet passen in het ideaalbeeld dat zij van Europa hebben – dat kan hun wél aangerekend worden. Het Alle Menschen werden Brüder dat in het Europese volkslied klinkt, is wensdenken.