De Borrel

Veel activiteiten vinden op min of meer hetzelfde tijdstip plaats, een tijdstip dat op begrip kan rekenen: voor een huisfeest wil je eerst rustig gegeten hebben, dus je vraagt mensen om na negen uur te komen. Je gaat lunchen tussen half één en half twee, omdat je dan wel weer zo’n beetje honger begint te krijgen en als je uitgaat is dat pas na tien uur, omdat er voor tien uur alleen dronken Britten aanwezig zijn en het garderobepersoneel je meewarig aankijkt. Maar er is één uitzondering. De activiteit die ooit, lang geleden, op de doordeweekse dag is ingeroosterd door een mensenhater: de Borrel.

Borrels vinden altijd plaats op het illustere uur ‘eind van de middag’, zo ergens rond vijven. Dit is onbegrijpelijk, onhandig en bovendien slecht voor je maag. Een borrel verloopt namelijk altijd zo: net als je goed op dreef bent met je wetenschappelijke verhandeling over het paargedrag van de Balkansneeuwmuis, realiseer je je dat het alweer half vijf is en je naar de borrel moet. Daar aangekomen schuif je aan bij een groepje mensen en neemt een glas wijn, en nog een, en ook het derde glas wijn is zo van een dienblad geplukt. Maar! Het vierde glas is een gevaarlijk glas. Vóór het vierde glas wijn kun je nog weg. Je hebt gewoon even gezellig iets gedronken en zegt nu gedag, je zwaait een paar keer, roept iets over een afspraak en duwt de deur open, de frisse lucht in: je bent ontsnapt aan de gewiekste klauwen van de borrel. Na het vierde glas is alles anders: na je vierde glas wil je meer.

Inmiddels is het zo rond half zeven, en begin je te voelen dat de wijn in combinatie met je lege maag je niet helemaal onberoerd laat. Je gaat op zoek naar eten. Nu is er meestal wel eten op een borrel: moeilijke hapjes op prikkers of stukjes sushi met zalm. Die zijn echter rond zes uur wel op. Wat er dan overblijft zijn de nootjes, zodat de kans groot is dat je jezelf terugvindt terwijl je aan een statafeltje geconcentreerd en haastig een bakje pinda’s leeg eet. Je vijfde glas wijn smaakt hierdoor wel weer een stuk beter.

Inmiddels is het al acht uur, en er beginnen mensen te praten over ‘ergens iets gaan eten’. De discussie over ‘waar & maar dat past toch nooit & met wie & wacht, ik moet even bellen’ duurt in ieder geval zo lang dat jij rustig de tijd hebt om nog twee bakjes pinda’s leeg te eten. Om negen uur bereikt er eindelijk een klein groepje een restaurant, en eenmaal aan een tafeltje merk je drie dingen: je hebt geen honger, je wilt geen wijn meer en het liefst zou je hier op tafel in slaap vallen. Eenmaal thuis wacht je nog een laatste herinnering aan de middag: rond twaalf uur dient zich het begin van een kater aan. En terwijl je de pindasmaak uit je mond probeert te spoelen, denk je: wie houdt er dan ook een borrel om vijf uur?

Eerdere columns van Renske de Greef zijn terug te lezen via nrcnext.nl/renske