Andermans dood kun je niet sterven

In De Vlek van Willem Jan Otten, constateert een arts een vlek op de longen van hoofdpersoon Abel Kans. Alleen, het zijn niet Kans’ longen maar die van een priester. Ze sterven elkaars dood. Dat kan niet.

Redacteur Media

De lichte zenuwachtigheid die een mens bevangt als hij naar de spreekkamer loopt, de specialist een hand geeft en gaat zitten. Nu komt het. Het moment van de aangekondigde dood. Abel Kans, de hoofdpersoon uit Willem Jan Ottens vertelling De Vlek, gaat niet eens zitten. Hij blijft liever staan, zegt hij. De specialist laat hem de longfoto zien. Veel hoeft er niet gezegd. De vlek die over de longen ligt, is enorm.

„Alleen een wonder kan mij nog redden”, zegt Abel Kans. „Maar wonderen, daar gelooft een Kans niet in.”

Daar staat hij niet alleen in. Bijna niemand gelooft in wonderen. Het woord ‘wonder’ vervult je gemakkelijk met enige afschuw, het mag alleen in de allerlichtste, bijna betekenisloze zin gebruikt worden: „Nou dat mag wel een wonder heten”, als een stijfkop van gedachten veranderd is.

In De Vlek, een vertelling in een reeks gedichten, spannender en levendiger dan je het je in proza kunt voorstellen, gebeurt het wonder dat Kans kan redden. Het is een gruwelijk wonder: de longfoto is van iemand anders. Er heeft een verwisseling plaatsgevonden. Het wonder dat voor Kans de dreigende dood wegneemt, is een noodlot in het leven van een ander. Aan de vertelling gaat, als motto, een citaat vooraf van de Argentijnse dichter Jorge Luis Borges: „Wat kan het mij baten dat die man/ geleden heeft als ik nu lijd?”

Dit citaat, de laatste regel van een gedicht dat ‘Christus aan het kruis’ heet, is een reactie op wat er over Christus gezegd wordt: dat hij voor ons geleden heeft, voor ons gestorven is.

Hoezo ‘voor ons’? Wat maakt voor ons het verschil? Hij heeft geleden, ik lijd nu – het een heeft niets met het ander te maken. Dat is wat die vraag aan het einde van Borges’ gedicht uitdrukt.

Het verband tussen het motto en de vertelling is snel gelegd: de man van wie de vlek is, een magere priester van Braziliaanse afkomst die in het ziekenhuis werkt, zal min of meer de dood sterven die is bedoeld voor Abel Kans.

Er is natuurlijk geen dood voor iemand ‘bedoeld’, maar in zekere zin hier wel. De vlek, die de dood betekent, is van eigenaar verhuisd.

Het doet ertoe wie Abel Kans is – dat hij musicus is, dat hij goddelijk kan spelen, dat hij middenin een solo stopte met blazen en daarna nooit meer speelde: ‘Het is alsof een vraag/ zo brandend als een hart/ wel is gesteld maar zonder/ antwoord blijft.’

Het was, zegt zijn ex-vriendin, alsof hij ineens merkte dat iedereen stokdoof was. ‘No ear. No fucking ear.’

Abel is een drugsgebruiker, een moeilijke, agressieve, verloren man. Zijn moeder is gestorven toen hij pas negen was. Zijn tweelingbroer, die ons het hele verhaal vertelt, heeft geen contact meer met hem.

Tot hier is er nog steeds niets aan de hand in deze vertelling, al zijn er wel vreemde, onbegrepen mompelingen soms, vooral van die magere priester Josefsson. Van hem verwachten we natuurlijk zoiets als een antwoord op die vraag van Borges – daar is hij immers priester voor. Hij moet ons, lezers, nu hij de vlek toebedeeld heeft gekregen, maar eens laten zien wat hem dat baat, dat ellendige lijden aan het kruis, hij gelóóft immers dat dit ook voor hem is geschied.

De priester zegt, als hij de foto te zien krijgt van zijn eigen longen met zijn eigen vlek: „Eén woord van u en ik ben heel.” De arts die hem de foto laat zien, is geïrriteerd. Wat bedoelt die man? „Dat zeggen we tijdens de mis”, zegt de priester, „het is gericht aan God en niet aan u”.

De dokter is natuurlijk ook God. Hij deelt het leven en de dood uit, hij kan het sterven uitstellen of verlichten. De dokter kon met één woord Abel Kans van een gezonde man veranderen in een ongeneeslijke kankerpatiënt. En nu weer terug. Alleen is nu het probleem dat Abel Kans onbereikbaar is. Die heeft zichzelf een overdosis gegeven. Die aanvaardt de dood van die vlek niet, die bedankt voor het lijden dat hem te wachten staat.

De priester bedankt er niet voor. Die neemt het sterven op zich. Die blijkt, en dit moet letterlijk genomen worden, de dood van Abel Kans te sterven. Een ongemakkelijk sterven: tierend, vloekend, zich verzettend.

Naast hem in het ziekenhuis ligt Kans, op het nippertje gevonden, en sterft de dood die je van een priester verwacht: kalm, vredig. Alsof zijn solo eindelijk wel gehoord wordt.

Dat kan niet. Je kunt niet andermans dood sterven. Het kan ons niet baten dat die man geleden heeft, dat kán niet. Ook de schrijver, Willem Jan Otten, zegt desgevraagd dat het niet kan wat er in De Vlek gebeurt.

Wat lezen we dan? Het moet wel verlangen zijn: dat het wél zou kunnen. Dat je gedragen zou kunnen worden door iets, wat dan ook. Dat bijstand bestaat op een volkomen onredelijke en onbegrijpelijke manier.

Deze vertelling wil dat doen geloven, tegenstribbelend, dat wel, want het valt niet echt te geloven. Het is het spiegelbeeld van het verlangen dat iemand kan bevangen die een zielsbeminde ziet lijden: „Laat mij dat doen.”

Maar dat gaat niet. De lijdenden, de stervenden – ze zijn onbereikbaar. Die Christus aan het kruis in Borges’ gedicht, die denkt niet aan alles wat het christendom met zich mee zal brengen, hij denkt niet aan het eeuwige leven: „Hem deert het harde ijzer van de spijkers.”

De vloekende en tierende en lijdende priester slaat geen enkele acht op de naast hem liggende Kans. Hij heeft zijn eigen spijkers, het lijden dat hij Kans bespaart.

Zoiets kan alleen in een verhaal. Het drukt uit wat wel het diepste geloof moet zijn: dat je gelooft dat je al geholpen bent, doordat er iemand is geweest die voor jou wilde lijden.

De vraag van Borges en het antwoord daarop luiden dus hetzelfde – wat baat het? Het baat – voor wie het verhaal omhelst. En daar tussenin gaapt een wereld.

Willem Jan Otten, De vlek, uitgeverij Van Oorschot, €17,50