Alles of niets bij tijdschriftuitgevers

Uitgever Elsevier die onder vuur kwam omdat wetenschappers haar tijdschriften te duur vinden, zegt dat zij niet te veel vraagt voor de informatie.

Protestcartoon van wetenschappers tegen de hoge prijzen van Elsevier. Illustratie Giulia Forsythe

Op een dag blijken in je favoriete supermarkt de prijzen enorm gestegen. Net als je wilt weglopen, komt er een winkelbediende naar je toe met een volle winkelmand. De supermarkt verkoopt zijn producten voortaan alleen nog gebundeld in winkelmanden, is de uitleg. Omdat in de mand naast ongewenste spullen ook je vaste boodschappen zitten, besluit je om toch maar in te gaan op de ‘winkelmand-aanbiedingen’. Even later vliegt de prijs van de winkelmand omhoog.

Met deze vergelijking beschrijft de Britse wiskundige Timothy Gowers op zijn blog de praktijken rond wetenschappelijke tijdschriften. Wetenschappelijke uitgevers verkopen hun tijdschriften uitsluitend in bundels, waarin naast toonaangevende titels ook veel winkeldochters zitten. De universiteitsbibliotheken zijn de afgelopen jaren steeds meer gaan betalen voor die pakketten, terwijl wetenschappers voor het binnenhalen van een afzonderlijk artikel al gauw tientallen dollars betalen.

Gowers begon in januari een actie tegen het Brits-Nederlandse Reed Elsevier, dat ongeveer 2.000 tijdschriften uitgeeft. Bijna 8.000 wetenschappers hebben inmiddels online verklaard niet meer mee te werken aan een tijdschrift van Elsevier, zolang de uitgever vasthoudt aan zijn prijzen, bulkcontracten en steun voor Amerikaanse wetsvoorstellen die de vrije toegang tot tijdschriften beperkt. Deze week trok Elsevier de steun in aan de Research Works Act, waarmee meer wetenschappelijke publicaties achter een ‘betaalmuur’ zouden komen.

Een succes van de boycot, schrijft Gowers, die voor een nadere toelichting verwijst naar eerdere posts zoals die over de supermarkt. Hooguit indirect, zegt Martin Tanke, die bij Elsevier verantwoordelijk is voor de tijdschriften: „In deze discussie hebben we de mening gepeild van onze redacteuren, en die lieten weten bezorgd te zijn over het wetsvoorstel.” Tanke hoopt nu op „minder emoties” in het debat over de prijs en toegankelijkheid van wetenschappelijk publicaties.

Want het beeld van de ‘winkelmand-aanbieding’ klopt niet, zegt Tanke: „Toen de papieren tijdschriften aan het begin van deze eeuw online gingen, vormden universiteitsbibliotheken inkoopconsortia. Maar de bibliotheek van Amsterdam had de tijdschriften A, B en C, die van Groningen B, C en D en die van Nijmegen C, D en F. Samen kochten ze de hele range van A tot en met F. Zo kregen de afzonderlijke bibliotheken ook tijdschriften die ze daarvoor niet hadden, zonder extra kosten.”

Maar de academische wereld kreeg er toch ongevraagd tijdschriften bij? „Inderdaad bleven bij de onderhandelingen wat tijdschriften over. Voor een meerprijs van één of twee procent konden bibliotheken die erbij krijgen”, zegt Tanke. Dat wetenschappers voor die tijdschriften nu een korting willen, vindt Tanke onredelijk: „Want er is nooit voor betaald.” En ongevraagd is nog niet ongewenst, zegt Tanke: „Veertig procent van de artikelen die wetenschappers opvragen komt uit tijdschriften waarop hun bibliotheek voorheen geen abonnement had.”

Dat de tijdschriften van Elsevier duur zijn, bestrijdt Tanke: “Onze prijzen zitten aan de onderkant van de commerciële markt, en in het midden als je de non-profit uitgevers meetelt. Onze prijzen zijn de afgelopen jaren gematigd gestegen.” Dat wetenschappers klagen over de prijzen komen volgens Tanke doordat universiteiten op dit moment moeten bezuinigen. Wetenschappers echter vinden dat de prijzen te hoog zijn voor wat uitgevers nog doen.

Uitgevers spelen van oudsher een sleutelrol bij de verspreiding van wetenschappelijke publicaties en het borgen van de kwaliteit. De redacteuren van hun tijdschriften laten ingezonden artikelen beoordelen door collega’s van de auteurs (peer review). Wetenschappers, die overwegend worden betaald met belastinggeld, verlenen hun diensten (schrijven, redigeren, beoordelen) kosteloos. Uitgevers verkopen hun product vervolgens aan de academische wereld.

Met de opkomst van internet zijn er twijfels gerezen over de rol van uitgevers. Want steeds meer wetenschappers publiceren, redigeren en beoordelen voor tijdschriften die voor iedereen toegankelijk online staan. Deze ‘open access’-tijdschriften hebben echter nog lang niet de status van toptijdschriften als Cell en The Lancet, nog altijd onmisbare sluiswachters in de academische publicatie- en geldstromen.

Het open access-model werpt wel een hel licht op het feit dat wetenschappers in het westen veel geld moeten betalen voor tijdschriften die ze zelf volschrijven. En dat elders in de wereld wetenschappers de artikelen helemaal niet kunnen betalen. Zo vissen in Oost-Europa veel onderzoekers achter het net. Tanke: „Die werken mogelijk bij een instituut dat niet is aangesloten bij een consortium. Misschien is dat te regelen met een licentie.” In Nederland hebben via een licentie ook HBO-instellingen toegang tot de tijdschriftpakketten van de universiteiten.

Elsevier heeft overigens zelf ook open access-tijdschriften opgezet en Tanke benadrukt dat er de komende jaren meer van dit soort tijdschriften komen. Tim Gowers gaat toch door met de boycot van Elsevier tot de prijzen zijn verlaagd en de bulkcontracten verdwenen. Die strijd zal niet in een dag gewonnen worden, schrijft hij. Intussen heeft hij voor collega-wetenschappers nog enkele tips om de macht van de uitgevers te verminderen: „Abonneer je niet op een duur tijdschrift als je er ook een goedkoop even bruikbaar tijdschrift is (wat niet altijd het geval is).”