Verklaring voor herkomst van het woord fiets is ‘uitglijder’

Het woord ‘fiets’ een verbastering van het Duitse ‘Vizepferd’? „Ga toch fietsen”, vindt de Nederlandse dialectoloog Jan Stroop, bekend als ontdekker van het Poldernederlands.

De herkomst van het woord houdt taalkundigen al bezig sinds 1886, toen het voor het eerst op schrift werd gesteld. Sindsdien zijn er ten minste zeventig publicaties aan gewijd, met daarin ruim twintig verschillende verklaringen. Is het een klanknabootsing – naar het gepiep van de eerste vélocipèdes? Is het een verbastering van dit moeilijke Franse woord, of juist van vitesse, dat ‘snelheid’ betekent? Of gaat het terug op het Brabantse dialectwerkwoord fietse, voor ‘met een lichte en vlugge beweging zich verplaatsen’.

Vorige week lanceerden de Gentse hoogleraren Gunnar De Boel en Luc De Grauwe een nieuwe theorie die in de media breed werd omarmd als de definitieve oplossing: fiets zou de verbastering zijn van het eerste deel van een schertsende Duitse samenstelling, Vizepferd, dat ‘surrogaatpaard’ of ‘plaatsvervangend paard’ betekent.

Maar dialectoloog Stroop noemt het een „uitglijder” dat het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde het artikel van De Boel en De Grauwe heeft gepubliceerd. Op basis van taalkundige en dialectologische argumenten toont Stroop aan dat de nieuwe verklaring „op geen enkele manier aannemelijk” is. Zijn publicatie is te vinden optinyurl.com/nrc-fiets.

Voorlopig zijn we dus terug bij af: de herkomst van het woord fiets is niet met zekerheid bekend. Waarschijnlijk zal massadigitalisering ooit het antwoord brengen: voldoende, op woordniveau doorzoekbare kranten, tijdschriften en boeken uit de periode waarin Nederland aarzelend het rijwiel besteeg.

    • Ewoud Sanders