Pluis

Ik zit in de bioscoop en houd mijn sjaal half voor mijn gezicht, want dat is de enige manier waarop ik naar horrorfilms durf te kijken. In de film heeft het hoofdpersonage net besloten om tóch naar dat oude, verlaten en griezelige landhuis op de heuvel te gaan, terwijl eigenlijk iedereen kan bedenken dat dit

Ik zit in de bioscoop en houd mijn sjaal half voor mijn gezicht, want dat is de enige manier waarop ik naar horrorfilms durf te kijken. In de film heeft het hoofdpersonage net besloten om tóch naar dat oude, verlaten en griezelige landhuis op de heuvel te gaan, terwijl eigenlijk iedereen kan bedenken dat dit niet zo’n goed idee is. Als de man het terrein op loopt, een heel oud en verlaten en griezelig terrein, denk ik: „Doe het nou niet! Je ziet toch dat het daar niet pluis is!” Waarop hij uiteraard toch naar binnen gaat en daar nog meer niet-pluizigheid treft, zoals starende porseleinen poppen, uit zichzelf wiegende schommelstoelen en onheilspellende muziek uit ouderwetse speeldoosjes. Maar ik ben inmiddels ook aan het nadenken over die uitdrukking: niet pluis. Als iets namelijk niet pluis kan zijn, kan het dan ook pluis zijn? Kan je zeggen: „Nou, dit vakantiehuis in Marbella, dat is me even een partijtje pluis!” Of: „Oké, mijn nieuwe vriendje is dan wel automonteur, maar het is echt een heel pluis persoon.” Of: „Ik weet niet, ik vind een courgettestoofschotel voor vanavond gewoon wel pluis.” Gevoelsmatig heeft de uitdrukking ‘niet pluis’ te maken met ‘de situatie is zo schimmig, dat moet nog even uitgeplozen worden’, maar een etymologisch woordenboek leert me dat het komt van pluysen: ‘met de snavel de veren schoonmaken en gladstrijken’. Het betekent dus schoon, zuiver. Wat mij betreft beginnen we vandaag nog met de invoering van pluis als positief begrip, want zeg nou zelf: alles klinkt beter als het pluis is.

Je kan je in een hachelijke situatie bevinden, maar in een onhachelijke?

Als ik me afvraag of er nog meer uitdrukkingen of woorden bestaan die enkel op één manier te gebruiken zijn, komt vriend Willem met het woord ‘hachelijk’. „Je kan je in een hachelijke situatie bevinden, maar in een onhachelijke? Of hacheloze?” Zelf vind ik hacheloos klinken alsof we het al jaren hadden kunnen gebruiken, maar gewoonweg vergeten waren: „Goed, die containers waren erg zwaar, maar toch was de over all-situatie vrij hacheloos, hoor.” Een heel nieuw woord dat onverschillige stoere jongens kunnen gebruiken in hun gewoonte ons oneindig te imponeren.

En mijn moeder noemde de uitdrukking ‘niet in de haak’. Kan iets ook ‘in de haak’ zijn? „Ik kom net bij de notaris vandaan, maar alles was in de haak, hoor. Dat boerderijtje is van ons!” Ik twijfel hier over. Ergens voelt het heel natuurlijk, maar misschien komt dat enkel door het ‘voor de bakker-toppiewoppie-helemaal goed’-gehalte, waar de joviale toon het al snel wint van je gezond gevoel voor smaak. Als ik er Google op na zoek, is het eerste resultaat een gebruiksaanwijzing voor een trekker en het tweede resultaat een sportvissersblog dat van woordgrapjes houdt, dus waarschijnlijk wordt ‘in de haak’ toch niet echt veel gebezigd. En eigenlijk kunnen we ook prima zonder.

Maar hacheloos mag blijven. Hacheloos is pluis. Pluis als Nijntje.

Vanaf vandaag ligt de nieuwe bundel met columns van Renske de Greef in de boekhandel: Geen Paniek. Over ongemakkelijke situaties en andere feestelijkheden. Arbeiderspers, 240 blz , € 12,50