Luieren in een warme harenbos

Bioloog Geert-Jan Roebers haalt luizenmythes onderuit. In zijn boekje lees je dat luizen van blonde mensen niets moeten hebben van kroeshaar en andersom.

Illustraties uit besproken boek

Een luis heeft inderdaad een mooi leven: lekker warm in een bos vol hoge haren. Vier keer per dag een slokje mensenbloed uit de bron. Beetje langzame seks, eitje erbij. Soms een tropische regenbui met bloemengeur, dan klamp je je even vast aan een haar. Verder is het luieren. En, wanneer het te onrustig wordt, verhuis je snel naar een nieuw hoofd dat langszweeft. Het haar aan de overkant lijkt altijd langer.

Bioloog Geert-Jan Roebers heeft een boekje geschreven over hoofdluis. Luizen van zeeolifanten kunnen heel diep duiken, staat erin. Omdat de gastheer dat ook kan. En de luizen van de Tasmaanse duivel zijn bijna uitgestorven. Luizen zijn namelijk hardnekkige diertjes, die toch heel kieskeurig zijn. Ze moeten precies in het goede haar zitten. Daarbuiten gaan ze dood. De luizen van de Tasmaanse duivel kunnen niet zomaar migreren naar een borstelstaartkangoeroerat als hun baasje loopt uit te sterven, want ze lusten geen Borstelstaartkangoeroerattenbloed. Zo hebben blondemensenluizen weer niets met kroeshaar van Afrikanen, en andersom. Als je luizenvrij wilt blijven, kun je als blanke het beste in Afrika gaan wonen, en als zwarte het beste hier.

Het boekje is heel geruststellend want van Roebers hoef je bijna niets te doen als je kind luizen heeft. Kinderen thuishouden? Zinloos. De luizen zijn toch al verspreid. Alle kleding en beddengoed op 60 graden wassen? Knuffels in het vriesvak? Luizencape? Hoeft allemaal niet. Luizen buiten het hoofd gaan vanzelf dood. Je hoofd insmeren met pindakaas, petroleum of kruidenmiddeltjes, raadt Roebers ook af.

Zijn boekje haalt heel wat luizenmythes onderuit. Die jeuk komt niet van het rondwandelen, maar van het spuug dat luizen in een aangeboord bloedvat spuwen. Luizen kunnen alleen maar migreren als het ene hoofd tegen het andere aan ligt. Vandaar dat basisscholen ideaal zijn voor de luizenmigrant. Bij de Noord-Europese luizen zijn jonge meisjes met lang blond haar het meest in trek. Daarop kunnen ze zich het beste verbergen. Gewassen of ongewassen maakt ze niets uit.

Wat moet je wél doen van Roebers? Vaak nat kammen. Eerst luizenshampoo – ja, dat helpt – dan crèmespoeling erin en dan met een metalen luizenkam, van oor tot oor, minstens twee weken lang.

Twee nieuwigheden prijst hij aan. Shampoo met dimeticon. Dat bevat geen gif maar siliconen, die de luizen inpakken als een kunstwerk van Christo. En de LouseBuster: een soort föhn die de luizen uitdroogt. Die is nog duur en je moet eerst op föhnles. Maar die LouseBuster heeft toekomst. Dat voel je.

Wist u trouwens dat het platje wordt bedreigd door de mode om de pubes te scheren? Daarover later meer.

Geert-Jan Roebers: Hoofdluis en andere stekers, bijters en zuigers. Uitgeverij Winkler Prins/ Unieboek. € 10,-

    • Wilfred Takken