Is dat goed of fout? Eén antwoord graag

Ben ik voor of tegen het boerkaverbod? Als ik mij mijzelf te rade ga, is er voor beide iets te zeggen. Maar dat mag niet meer. Morele ambiguïteit is politieke zelfmoord, stelt Rob Wijnberg.

Of de boerka het symbool is van onderdrukking door een fascistische ideologie, durf ik niet te zeggen – al was het maar omdat de overhemden in mijn eigen klerenkast voor een zacht kapitalistisch prijsje door Chinese kinderhandjes zijn gemaakt. Maar één ding weet ik wel: de boerka is in Nederland inmiddels het symbool van morele verwarring.

Christen-democraten zien het gewaad liever vandaag dan morgen verboden, maar durven hun weerzin niet verder uit te spreken dan dat de boerka „de communicatie belemmert” – bang als ze zijn voor de boemerang die vrijheid van godsdienst heet. Liberalen zien in de boerka de antithese van het autonome individu, maar bijten zichzelf stuk op de vraag in hoeverre ‘zelfopgelegde onvrijheid’ ook een vorm van keuzevrijheid is. En deinzen terug voor een staat die het antwoord daarop wenst af te dwingen. Socialisten en democraten zien in de boerka vooral een flagrante aantasting van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw – maar worstelen vervolgens intens met de gelijke behandeling van gelovigen. Iederéén telt mee immers.

Deze innerlijke strijd met de eigen ideologische uitgangspunten heeft uiteindelijk geleid tot één van de meest bizarre wetsvoorstellen uit de recente geschiedenis, waarbij alle principes zijn gevolgd, maar daardoor ook alle relevante morele afwegingen letterlijk uit de weg zijn gegaan: besloten is om ‘gezichtsbedekkende kleding’ te verbannen uit de publieke ruimte, inclusief integraalhelmen en bivakmutsen. Principieel te billijken, want: op iedereen van toepassing. Maar daardoor evengoed absurd: dat men zich zorgen maakt om religieuze onderdrukking van vrouwen snap ik, maar sinds wanneer is incognito over straat gaan in strijd met de rechtsstaat?

Het besluit viel nota bene in een jaar dat half Nederland volledig ingepakt op de schaats stond. Uitzonderingsposities voor prins Carnaval en Sinterklaas zijn al in de maak. Kamervragen over bebaarde mannen met zonnebrillen en petjes op zullen vermoedelijk niet lang op zich laten wachten. En om de ironie compleet te maken: de aanjager van het verbod, PVV-leider Geert Wilders, gaat zelf regelmatig noodgedwongen onherkenbaar over straat. De politie neemt ondertussen haar toevlucht in een zelfbedacht gedoogbeleid: ze gaat „per geval” bekijken of de boerkadraagster strafbaar wordt geacht.

Ideologen in het nauw maken rare sprongen. Ook ik weet niet wat ik van de boerka moet vinden. Eerlijk gezegd: zelfgekozen of niet, ik moet er niet aan denken dat mijn eigen vriendin in zo’n gewaad zou rondlopen. Anderzijds: een staat die kledingvoorschriften uitvaardigt, klinkt mij iets te Noord-Koreaans in de oren. Maar ja: moet ik nudisme in de tram dan ook accepteren?

Aan de andere kant: boerka’s gaan vaak gepaard met religieuze indoctrinatie die je op de nudistencamping niet gauw treft. Tegelijkertijd: uiteindelijk vloeien alle tradities, opvattingen en omgangsvormen voort uit een of andere vorm van culturele indoctrinatie. Het is universeel dat mensen dat alleen vergeten van hun eigen dogma’s.

Maar rechtvaardigt dat wetgeving die drijft op wantrouwen – die suggereert dat achter alle sluiers potentiële verstoringen van de openbare orde schuilgaan? Aan de andere kant: als iets een motie van wantrouwen is, dan is het de boerka zélf – alsof alle mannen seksbeluste vrouwenjagers zijn. Maar, sputtert de pragmatist in mij: hoe groot is deze muis in de porseleinkast nu helemaal? Om er vervolgens aan toe te voegen: tja, van pedofielen lopen er ook niet veel rond – en ik ben dolblij dat aan kinderen frunniken strafbaar is. Maar wacht, fluistert mijn liberale geweten dan: wie berokkent de boerkadraagster schade behalve zichzelf? Om daarna in de knoop te raken met de vraag waarom heroïne verboden is.

De boerka is, kortom, het morele dilemma in optima forma. Als anti-principieel filosoof kan ik daar goed mee leven: ik geloof namelijk niet dat moraliteit te herleiden is tot algemeen geldende principes. Daarmee bedoel ik: voor alle morele stellingnames zijn weliswaar betere en slechtere rechtvaardigingen aan te dragen (ik ben geen relativist), maar er zijn geen onderliggende principes die ze definitief ‘beslechten’.

Het probleem is alleen: met die opvatting kom je anno 2012 niet meer weg. Na een klein decennium gepolder en gedoog leven we nu weer als vanouds in principiële tijden, waarin morele conflicten eigenlijk maar één juiste positie kennen: of je bent voor of je bent tegen. Morele ambiguïteit betekent politieke zelfmoord – zie de onstuitbare teloorgang van de klassieke ‘middenpartijen’. Hun oplossing is ook volkomen in lijn met de tijdgeest: de een is sinds vorige week naarstig op zoek naar een ‘sterke leider’, de ander besloot na lang vergaderen dan maar het midden tot iets ‘radicaals’ te verheffen – wat dat ook betekenen mag. De conclusie blijft in ieder geval: morele meerduidigheid heeft afgedaan.

En niet alleen in de politiek. Op Twitter, op weblogs, in talkshows of in de kroeg, overal geldt: kleur bekennen verplicht. En grijs is niet de kleur waar men op zit te wachten. Op tv staat grijs gelijk aan saai; in de politiek betekent het zwak en op Twitter kost het domweg te veel tekens.

Tussen oordelen en véroordelen ligt een oceaan aan grijstinten die we tegenwoordig het liefst met EasySmet overvliegen – als er maar iemand aan een schandpaal te nagelen valt. Of het nu gaat om noodhulp voor Griekenland, een meldpunt voor Oost-Europeanen of een islamitische sluier: je hebt keus uit twee kleuren – goed of fout. Wie geen rotsvaste principes heeft, stáát nergens voor – een verwijt dat mijn hele generatie al jaren naar het hoofd geslingerd krijgt.

De tijdgeest speelt daar ongetwijfeld een rol in. Wanneer de onzekerheid toeneemt, groeit altijd de behoefte aan onwrikbare morele dogma’s. Vervolgens helpt de medialogica ook nog een handje: ‘enerzijds, anderzijds’ verkoopt nu eenmaal geen kranten, laat staan dat er spectaculaire televisie van te maken valt.

Maar principieel denken is, hoewel aantrekkelijk in tijden van onzekerheid, geen modegril. Volgens de Britse denker Bernard Williams (1929-2003), een van de scherpste moraalfilosofen uit de recente geschiedenis, zijn zogenoemde ‘morele systemen’ diepgeworteld in onze cultuur. Het christendom, dat moraliteit poogt samen te vatten in tien geboden, is er een voorbeeld van.

Het belangrijkste bezwaar tegen systeemdenken is wat Williams ‘moral luck’ noemt. Hiermee doelt Williams op het feit dat toeval een centrale rol speelt in de alledaagse ethiek. Neem het feit dat moord strenger bestraft wordt dan poging tot moord. Iemand die zijn moraal baseert op universele a priori principes, kan dit niet verklaren. Waarom zou de moordenaar die toevallig zijn mes liet vallen ‘minder fout’ zijn dan de moordenaar die toevallig slaagde in zijn opzet? Toch is ons morele oordeel, op grond van die toevalligheid, anders – zoals we een ongeluk met dodelijke afloop de bestuurder ook zwaarder aanrekenen dan een ongeluk waarbij iedereen ongedeerd bleef. Toeval is, kortom, moreel relevant.

Precies om die reden vind ik het gepolariseerde publieke debat van tegenwoordig ook zo slaapverwekkend. Alles wordt naar de uitersten van de moraliteit geduwd. Debatteren wordt op die manier niets meer dan een wedstrijdje tussen goed en fout, in plaats van een discussie over wat ertussen ligt.

Zo bezien lopen we onderhand allemaal in een boerka, verscholen achter dogma’s die ‘de communicatie belemmeren’. Tijd voor een verbod op stelligheid misschien?

Of is dat weer te stellig?

Rob Wijnberg is filosoof en hoofdredacteur van nrc.next

    • Rob Wijnberg