Brieven

Castricum toont leerzame cabaretjournalistiek

De discussie over PowNedverslaggever Rutger Castricum (NRC Handelsblad, 28 februari) sluit precies aan bij wat ik ervaar tijdens de introductiecursus journalistiek die ik verzorg aan de Hogeschool Utrecht. Steevast begin ik de eerste les met het tv-fragment waarin Castricum toenmalig minister Ella Vogelaar (PvdA) interviewde. De reacties zijn vaak verontwaardigd. Castricum is „onfatsoenlijk”, „sensatiebelust” of hij gaat „te ver”, maar ook Vogelaar krijgt ervan langs: „onhandig”, „ze had nooit zo moeten reageren”, „ze had hem juist moeten aanpakken”.

Is hier een journalist aan het werk? We maken een lijstje kenmerken – kritisch, brutaal, vasthoudend, afstandelijk, wantrouwend, doelgroepbewust... Castricum maakt gebruik van basiskleuren uit het palet van journalistieke vaardigheden. Je kunt vinden dat hij ze te fel aanzet. Mijn stijl is het ook niet, maar voor journalisten in spe is Castricums cabareteske uitvergroting van het journalistieke metier een leerzame kennismaking. Zijn werkwijze zegt alles over grenzen die je als journalist vaak niet, maar vaak ook gewoon wel, over moet durven gaan.

Pelle Matla

Freelancejournalist en docent aan het Centrum voor Communicatie en Journalistiek in Utrecht

Thorbecke zou Castricum geen blik waardig keuren

Rutger Castricum schijnt een nieuw hoogtepunt te hebben bereikt in het stellen van vervelende en suggestieve vragen die niet zijn gericht op de inhoud, maar beogen de ondervraagden in problemen te brengen. Ergens las ik: Thorbecke zou het bij hem geen dag hebben uitgehouden.

Een man van het niveau van Thorbecke zou de heer Castricum geen blik waardig hebben gekeurd of hem op aristocratische wijze tot niets hebben teruggebracht. Het manco van het hedendaagse Nederland is niet het teveel aan Castricums, maar het tekort aan Thorbeckes.

A.L. de Werker

Groningen

Lira keerde mij € 5,19 uit

Voorzitter Kees Holierhoek van de Stichting Lira besluit zijn reactie (Opinie, 23 februari) op het stuk van Hans Blom over de betaling voor het gebruik van gedigitaliseerde kranten (Opinie, 22 februari) met een uitsmijter die in mijn verkeerde professionele keelgat schoot. Volgens hem is het voor schrijvers en journalisten alleen mogelijk om van hun arbeid te leven als zijn stichting hun producten beschermt. De Stichting Lira verzorgt sinds 1986, onder veel meer, de betaling aan de auteurs van het wettelijke leengeld voor boeken die zich in bibliotheken bevinden.

Ik ben zo’n auteur. Ik had in het bestand van Lira in 2010 acht titels die geheel op mijn naam staan en veertien titels met co-auteurs. Lira keerde mij daarover voor 2010 exact € 5,19 leengeld uit – bruto welteverstaan. In het pre-Liratijdperk was dat voor veel minder titels op jaarbasis ongeveer duizend gulden. Toen kregen we nog geen duur tijdschrift, was er geen Stichting Lira die prijzen toekende en was er geen Lirafonds dat projecten subsidieerde. Toen deden ambtenaren steekproeven. Ze betaalden auteurs van uitgeleende boeken een kwartje per uitlening.

C.H. Slechte

Schiedam