Kostbare schijn van zekerheid

Woningcorporatie Vestia heeft met haar financiële debacle, haar falende bestuur en raad van commissarissen de grenzen overschreden van goed ondernemingsbeleid. Het debacle is echter meer dan een vorm van individueel wanbeheer. De overlevingsstrijd van Vestia is ook een test in de praktijk voor de verhoudingen met de collega’s in de sector van sociale woonhuisverhuurders, met de externe controleurs en de banken van de bedrijfstak. En met de verantwoordelijk bewindsman. Dat is tegenwoordig de minister van Binnenlandse Zaken, nadat bij de formatie van het kabinet-Rutte het ministerie van Volkhuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) werd opgeheven.

Vestia is een praktijktest voor allen op een schaal die niet eerder is vertoond. De corporatie is de grootste van het land en zou derhalve het boegbeeld van de bedrijfstak moeten zijn. Vestia heeft in een poging de rentekosten op lange termijn te reduceren voor miljarden euro’s rentecontracten gekocht, die nu een verlies vertegenwoordigen. De corporatie is daardoor gedwongen om substantiële bedragen als onderpand bij banken aan te houden. Kortom: stenen genoeg, geld te weinig. Hoe het zover heeft kunnen komen, zal onafhankelijk moeten worden onderzocht.

De financiële risico’s van Vestia zijn ook de risico’s van alle andere corporaties en, uiteindelijk, van de Rijksoverheid. woningcorporaties zijn onderling intens verstrengeld. Zij steunen elkaar via het Waarborgfonds Sociale Woningbouw. En zij draaien samen op voor de financiële sanering van andere corporaties.

Zulke varianten op een onderlinge waarborgmaatschappij zijn een oer-Hollands principe: samen sterk. Maar het collectief is zo sterk als de zwakste én grootste individuele schakel. Het is een illusie te denken dat honderden andere grote en kleine corporaties een bankroet van Vestia met geld of garanties kunnen voorkomen. Sommige hebben geen geld. Andere zullen zeggen: geen geld geven voor rotte appels.

In dat geval kijkt iedereen naar de Rijksoverheid. Want zo gaat het steeds met dergelijke arrangementen. Zij zeggen zekerheid te bieden, maar per saldo bieden zij slechts de schijn van zekerheid. De banken kennen een vergelijkbaar vangnet voor spaarders. Als een bank failliet gaat, betalen de andere de spaargelden tot een limiet uit. Maar het bankroet van een grote bank kan de sector niet aan. Vandaar de rijkssteun in de kredietcrisis van 2008/’09 voor ABN Amro, Fortis, ING, SNS en Aegon. De banken moeten hun vangnet nu aanvullen met een echt reddingsfonds waar echt geld in zit.

Dat is een les voor de corporaties. Het is tijd dat minister Spies (CDA) van Binnenlandse Zaken haar positie duidelijk maakt. De mist rondom de risico’s voor de publieke kas heeft lang genoeg geduurd.