‘Je mag niet anders zijn’

Haar vader werkte in de fabriek, haar moeder was een ongelukkige huisvrouw. Froukje Santing zelf vertrok naar Turkije, kwam terug, bestudeerde de islam en schreef een boek over migranten. „Met dit boek wil ik iedereen wakker schudden.”

Froukje Santing: „In Nederland was ik, na zeventien jaar Turkije, totaal ontheemd.” Foto Bob van der Vlis

Toen journalist Froukje Santing (55) na zeventien jaar uit Turkije naar Nederland terugkeerde, voelde ze zich ontheemd. Als correspondent in Turkije, onder meer voor NRC Handelsblad, had ze geleerd met een open blik naar andere culturen te kijken, maar in haar eigen land bleken de luiken dicht te zitten. „De eigen cultuur werd als superieur beschouwd. Op migranten werd neergekeken.”

In een poging de pijn die ze hierover voelde te doorgronden, gaf ze haar baan op om de islam te bestuderen. Ze was vijftig en ze zat in de collegebanken. Ze studeerde cum laude af.

Vervolgens schreef ze het boek ‘Dwars op de tijdgeest’, waarin ze zich afvraagt waarom Nederlanders migranten niet met nieuwsgierigheid tegemoet treden.

Als jong meisje wilde je zendeling worden. Waarom?

„Het avontuur trok me. De spannende verhalen over missionarissen die de aardbol afstruinden met Gods woord in hun hutkoffer. Ik ben geboren in Beilen, een provincieplaats in Drenthe, met zo’n winkelcentrum dat nooit iets wordt, wat ze er ook aan doen. Inwisselbaar en nikserig. Mijn vader werkte bij de melkfabriek Domo. Ik groeide op in een benauwende wereld en besloot al vroeg dat ik daar niet bij wilde horen. Vrouwen als mijn moeder gaven hun ambities op als ze gingen trouwen en waren ongelukkiger dan ze konden laten zien. Ik wilde mij niet in die rol laten dringen. Maar misschien ontstond het verlangen om me los te maken zelfs al eerder. Als klein kind had ik scoliose, een verkromming van de wervelkolom. Daarom werd ik tot mijn tweede levensjaar vastgebonden op een plank. Volgens mijn moeder heb ik dat goedgehumeurd doorstaan, maar liep ik, toen ik eenmaal mijn vrijheid had, bij het zakdoekje leggen altijd de andere kant op. Ik liep letterlijk uit de pas.”

En je werd geen zendeling maar journalist.

„Ik was een nieuwsgierig kind, degene in het gezin die wist wat er in de straat gebeurde. De beslissing om journalist te worden, nam ik op mijn veertiende. Ik weet niet precies wat mij zo trok en dat weet ik nog steeds niet, maar het heeft er mee te maken dat je als journalist ongebreideld nieuwsgierig mag zijn. Het is een alibi om vragen te stellen en vragen stellen vind ik het leukste wat er is. De journalistiek is voor mij geen baan, maar een levenshouding.”

Op je 23ste zat je op de redactie van deze krant. Twee jaar later gaf je die baan op en vertrok je naar Turkije.

„Ik dacht: dit is zo ongeveer het hoogst haalbare in de journalistiek. Als ik hier al op mijn 23ste zit, kan ik nog wel een tijdje weg. Tijdens een reis naar Turkije was ik verliefd geworden op een Turkse zakenman die er niet over peinsde naar Nederland te komen. Ik dacht: ik ga gewoon naar Turkije en we zien wel. Dat is een heel goede beslissing geweest. In Turkije ontwikkelde ik mij als correspondent en kreeg ik een dochter. Na acht jaar huwelijk gingen mijn man en ik uit elkaar omdat onze karakters botsten. Bovendien wilde ik mijn dochter niet laten opgroeien in de commerciële toeristenplaats waar hij zich thuis voelde. Maar het kwam niet in me op om terug te gaan naar Nederland. Ik ben nog negen jaar in Turkije gebleven. Mijn jaren als correspondent hebben me gevormd.”

Hoe?

„Als correspondent word je niet ingehuurd voor één dossier. Je moet recht doen aan een heel land. Je probeert door te dringen tot het kloppende hart van zo’n natie. Elke dag probeer je dat land te begrijpen en dat kan alleen als je met een open blik om je heen kijkt. Het westerse superioriteitsgevoel valt daardoor van je af, je gaat onafhankelijker denken. Ik kan mij nu in twee culturen bewegen. Als ik aankom op het vliegveld van Ankara, kom ik een beetje thuis. Nederland heeft mij gevormd maar ook Turkije zit in mijn hoofd en hart. Dat ik noch bij de ene, noch bij de andere cultuur hoor, beschouwen sommige mensen als een vorm van eenzaamheid, maar ik zie dat niet zo.”

Uiteindelijk ben je in 1999 toch terug gegaan naar Nederland.

„Ik wilde niet dat mijn dochter alleen naar de Turkse middelbare school zou gaan. Ik wilde dat ze zou opgroeien als een vrouw die haar eigen keuzes maakt. En in Nederland zijn de grenzen aan wat je als vrouw kunt en mag minder strikt.”

Je kon niet aarden in Nederland. Waarom niet?

„Ik kwam terecht in een land waar mensen zich superieur opstelden tegenover migranten. Terwijl ik het als een brevet van onvermogen zie als je je alleen kunt verheffen door iemand anders naar beneden te duwen. Ik was al met die arrogantie geconfronteerd toen ik trouwde met die Turkse man. In de ogen van veel Nederlanders kelderde mijn status. Men bekeek mij meewarig: toch jammer van dat meisje. Dat heeft mij gegriefd.

„In het Nederland van mijn ouders konden de verschillende zuilen makkelijk naast elkaar bestaan. Maar tegenwoordig moet iedereen een model-Nederlander zijn. Je mag niet meer anders zijn. Dat is een groot onrecht. De inburgeringscursus schrijft migranten bij wijze van spreken zelfs voor hoe je in Nederland een cadeautje moet kopen en hoe je dat moet overhandigen. Het is totaal uit de hand gelopen. En er wordt altijd gefocust op wat mensen niet kunnen: Nederlands spreken. Dat ze daarnaast arts of filmer zijn, is niet relevant. Er is geen nieuwsgierigheid naar wie de ander is.”

Op je vijftigste gaf je je baan op om islam in de moderne context te gaan studeren. Een ingrijpende beslissing.

„Ik voelde me verloren in Nederland. Het was net alsof die zeventien jaar Turkije helemaal niet relevant waren. Ik was totaal ontheemd en ik heb er lang over gedaan dat toe te geven. Ik had nauwelijks tijd voor reflectie, want de journalistiek denderde maar voort. Maar het was niets voor mij om met dertig collega’s op een quote van Donner te wachten bij het Binnenhof. Je kunt mij beter naar Afghanistan sturen. Op een gegeven moment had ik rust nodig om mijn gedachten te ordenen.”

Hoe reageerde je omgeving?

„Veel mensen waren stinkend jaloers. Er kwamen collega’s op me af om te vertellen dat ze ook een droom hadden gehad. En daarna vroegen ze, heel Nederlands, hoe ik het ging financieren. Nou, heel simpel, ik had mijn geld niet in een hypotheek gestoken.”

Nu is er dit boek waarin je oproept om migranten als individuen te zien. Je noemt het schrijven een louteringsproces.

„Ja. Mijn bagage is nu geordend en ik weet waar ik sta. Dit boek is een schreeuw waarmee ik Nederland wil wakker schudden. We verlangen van migranten iets wat we hun niet willen geven. Ze moeten Nederlanders zijn en toch noemen we ze Turk. Geef deze mensen de ruimte. Zij zijn ook ‘wij’, al zijn ze niet ‘wij’ geworden zoals wij dat wilden. Er is in Nederland te veel oog voor de problematiek en te weinig oog voor de parels. Dat getob! Ik heb tijdens mijn onderzoek zoveel geweldige mensen gesproken, die zich met zoveel creativiteit staande houden in Nederland. Ik heb gezien dat Nederland vele malen leuker is dan het naargeestige beeld dat opstijgt uit de media en de politiek.”

‘Dwars op de tijdgeest. Hoe ik Nederland aantrof toen ik terugkwam’ is verschenen bij Uitgeverij De Geus (€ 17,90).

    • Renate van der Zee