Japans erfgoed werd gered door Nederlanders

Nederlandse patriciërs kochten ooit bronzen Boeddha’s uit gesloopte tempels in Japan. In Leiden hervinden Japanners nu verbaasd hun eigen erfgoed.

Ichiji Kinrin. Handhouding is de ‘vajra mudra’, vuist van de wijsheid, die de zes elementen verbeeldt: aarde, water, vuur, lucht, metaal en bewustzijn. 19de eeuw, ijzerlegering.

De zaal met Japanse Boeddhabeelden in het Museum Volkenkunde betoverde decennia lang de bezoekers door de combinatie van daglicht en duisternis. Wijlen Boudewijn Büch zat er wel eens te blowen. Schrijver Arthur Japin kwam er als kind vaak. „Ik maakte (en maak) mijn eigen werelden en ben altijd op zoek [...] naar plaatsen waar genoeg rust en respect heerst om in je eigen fantasie te kunnen blijven geloven”, zegt Japin daarover in een speciale krant van het museum in Leiden.

Maar bij een grote verbouwing in 1999 verdween de Boeddhazaal en werden de beelden opgenomen in een permanente Japantentoonstelling – tot grote teleurstelling van veel bezoekers. Sinds vorige week heeft het museum een nieuwe Boeddhazaal, bekleed met rood textiel. Een klank- en lichtspel van een uur moet de zaal met de voormalige tempelbeelden een gewijde, misschien zelfs spirituele sfeer geven.

De Boeddhabeelden zijn de topstukken van de wereldvermaarde Japancollectie (35.000 objecten), waarvoor in de negentiende eeuw verzamelaars als Philipp Franz von Siebold de basis legden. „Japanse bezoekers vinden het doorgaans ongelooflijk dat deze beelden in het buitenland terecht zijn gekomen”, zegt conservator Matthi Forrer, hoogleraar Japanse kunst aan de Universiteit Leiden. „Want de beelden zijn nauw verbonden met hun verleden.”

De drie oudste beelden zijn in 1648 in brons gegoten. „Toen de Nederlanden vrede sloten met Spanje, behoorlijk oud dus”, zegt Forrer. De Boeddhabeelden komen oorspronkelijk uit het mausoleum van de Tokugawa-familie. Deze dynastie van shoguns – aanvankelijk de benaming voor de opperbevelhebber van het leger – regeerde vanaf 1603 ruim tweeënhalve eeuw Japan. In die periode verplaatsen de shoguns van Kyoto, waar de keizer in zijn hof moest leven als in een gouden kooi, naar Edo, de voorloper van Tokio.

Na een grote brand in 1655 mochten nog maar twee tempelcomplexen worden gebouwd, aan de rand van de stad. In de zuidelijke tempel, Zojoji, kwam het mausoleum van de Tokugawa’s. Tegenwoordig staat van Zojoji nog maar één gebouw overeind – een symbool voor de ondergang van de Tokugawa-dynastie.

Want in 1867 kwam al na een jaar een einde aan het bewind van de laatste shogun en werd de keizer in ere hersteld. Japan werd in de jaren erna geopend voor buitenlanders en het boeddhisme werd in de ban gedaan. Tempels werden gesloopt en Boeddhabeelden werden verkocht. Via Parijs kwamen de beelden uit Zojoji naar Nederland, waar Amsterdamse patriciërs deze in 1883 aankochten voor het museum in Leiden.

De ‘Leidse’ beelden behoren tot dezelfde serie als de Boeddhabeelden in Artis. „Net als enkele goudgelakte tempeldeuren, die terecht zijn gekomen in een Weens museum”, zegt Forrer: „Die hopen we binnenkort in bruikleen te krijgen voor een tentoonstelling,”