‘Eindigen leven om open rug onterecht’

Levensbeëindiging van pasgeborenen met een open ruggetje is in Nederland mogelijk op onterechte gronden gebeurd, aldus neurochirurg Rob de Jong van het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam. Kinderen met een open ruggetje lijden niet of nauwelijks pijn, schrijft De Jong met co-auteurs in het gisteren verschenen nummer van het wetenschappelijke tijdschrift Pediatrics. Als ze wel pijn hebben, is die goed te behandelen.

Daarmee komen de belangrijkste argumenten die in Nederland gebruikt worden bij levensbeëindiging van pasgeborenen – ondraaglijk en onbehandelbaar lijden – volgens De Jong te vervallen. Samen met collega’s deed hij vijf jaar onderzoek naar pijn en ongemak bij pasgeborenen met een open ruggetje. In 3,3 procent van alle metingen werd ‘aan pijn gerelateerd ongemak’ vastgesteld. Die pijn was goed te bestrijden.

De Jong vindt dat kinderartsen, juristen en politici moeten nadenken of ze op de juiste weg zitten met het Nederlandse beleid voor levensbeëindiging van pasgeborenen met een ernstige aangeboren afwijking.

Dat beleid, vastgelegd in het zogenoemde Groningen-protocol, is in Nederland in 2005 door kinderartsen aanvaard en wordt sindsdien ook uitgevoerd. De Tweede Kamer en justitie aanvaardden het protocol ook. Artsen die zich eraan houden, worden niet vervolgd.

Het protocol is gemaakt op grond van 22 gevallen van levensbeëindiging. Alle gevallen betroffen kinderen met een open ruggetje.

De maker van het protocol, jurist en kinderarts Eduard Verhagen van het Universitair Medisch Centrum Groningen, zegt dat er altijd situaties zullen zijn waarin levensbeëindiging de minst slechte oplossing is. „Kinderen die iedereen radeloos maken, omdat ze vreselijk lijden en niet vanzelf sterven, ook niet als de behandeling gestaakt is.”