De nuance van het potlood

Een stelling innemen is vaak gratuit. Bart Moeyaert verkiest de grijstinten van het potlood boven de teksten van schreeuwlelijkerds voor wie de wereld slechts zwart óf wit kan zijn.

We worden wakker, we zetten onze voeten naast het bed, we geeuwen eens, en als alles goed gaat halen we met z’n allen de avond, worden we moe en dan gaan we slapen.

Bestaan kan iedereen.

Er zijn vraagt moed.

Dat zijn de eerste twee regels van het gedicht Kies uit mijn bundel Gedichten voor gelukkige mensen. Het gedicht pleit voor de nuance, het omzichtig formuleren, het prijst – om het met het belangrijkste beeld uit het gedicht te zeggen – de kwaliteiten van het potlood.

Mijn pleidooi van 45 dichtregels lang schreef ik in 2006. Het werd in de maand oktober van dat jaar in De Standaard gepubliceerd, daags voor de gemeenteraadsverkiezingen in België.

In de stad waar ik toen stadsdichter van was, Antwerpen, was de bevolking verdeeld over de gang van zaken. Ik kreeg de indruk dat er drie kampen waren. Veel mensen verlangden schoon schip te maken. Veel mensen verlangden dat geheel niet. Voor de derde mening – die van de nuance – was dat jaar weinig tijd en weinig plaats, terwijl nuanceren juist tijd en ruimte vraagt.

In de media werd een uitgesproken mening pittig gevonden. Een quote moest bij voorkeur ook meteen een oneliner zijn. Dan scoorde je. Iemand met haar op zijn tanden trok volk aan.

In 2006 en 2007 zag ik de pen, de stift en de dikke kwast zienderogen veld winnen. Je moest je duidelijk profileren. Je moest je spieren laten rollen, zoals George W. Bush dat deed in zijn acceptance speech: If America shows uncertainty and weakness in this decade, the world will drift towards tragedy. This will not happen on my watch.

Zodoende. Als je met potlood schreef, kon je als ‘besluiteloos’ of ‘niet geëngageerd’ worden versleten. Wie een potlood hanteerde, riskeerde een pantoffel of een vijg te zijn, en volgens sommigen ook een lafaard.

In een interview in Vrij Nederland van december 2011 hebben Erik de Jong (Spinvis) en Raymond van het Groenewoud het over het engagement in de kleinkunst. Ze geven hun idee over de duidelijke bedoeling van het genre.

„‘Wilders is schandalig’ – zoiets zou ik nooit zingen”, zegt De Jong, en Van het Groenewoud vult aan: „Men noemt iets geëngageerd wanneer het gaat over sociologische of politieke thema’s. Maar daarin ben ik het met de grote volksschrijver Reve eens: dat is gratuit engagement. Een slogan hanteren waarvoor je niets hoeft in te zetten. Het engagement dat vaak over het hoofd wordt gezien, dat is: de schaamtezone aftasten, het gebied waarin je jezelf blootgeeft.”

‘Er zijn’ is jezelf behoeden voor het gratuite engagement waarover Van het Groenewoud en Reve het hebben. ‘Er zijn’ vraagt moed. Het is toegeven dat de vlakgom bestaat. Het is bekennen dat mensen fouten maken.

Het potlood schrijft grijs, muisgrijs, waardoor de indruk wordt gewekt dat zijn gebruiker dat ook is, terwijl wie met potlood schrijft juist goed beseft dat hij al veel weet, maar ook veel nog niet. Hij durft zichzelf te herformuleren, niet één keer, maar voortdurend. Hij houdt van het zoeken naar de juiste lijn, en ervaart het potlood als een verlengstuk van zijn hand. Hij probeert steeds opnieuw de waarheid te zien en te herzien. De feiten kunnen op elk moment worden bijgestuurd, omdat er altijd iets kan gebeuren wat een nieuw licht werpt op de zaak.

‘Met potlood schrijven’, of als u wilt: ‘er zijn’, is niet kiezen voor de gemakkelijkste weg.

Toen mijn eerste boek verscheen, had ik op het vlak van schrijfstijl en persoonlijkheid nog veel te leren. Hoe het in 1983 met mij was gesteld, kan ik u laten zien. We moeten ervoor naar het museum van het Voortrekker Monument in Pretoria, Zuid-Afrika.

In een van de vitrines daar ligt kinderspeelgoed uit de tijd dat het nog aan bomen of aan dieren groeide. De schoongekookte wervels van een schaap deden het perfect als de wagons van een trein. Poppetjes werden gemaakt van hout en repen stof.

In het museum in Pretoria stellen ze de groei van zo’n poppetje aanschouwelijk voor, in stappen. De eerste stap is een kruis van twee houtjes. Daarna wordt het kruis volgens het principe van de mummie omzwachteld met een lange strook linnen. Laag per laag is de pop dikker geworden. De derde stap is het poppenkind.

Ook als je nog nooit zo’n poppetje in elkaar hebt geknutseld, weet je hoe gemakkelijk het fout kan gaan. Het is belangrijk er je aandacht bij te houden. Een scheef kruis geeft scheef speelgoed. Als je even wegkijkt of moe bent en niet oplet, gaat de stof frommelen of zit hij te los of te strak.

Zo’n poppetje in de groei in een museum laat op een eenvoudige manier zien dat er met een mens weinig hoeft te gebeuren, of het gaat in meer of mindere mate mis. We kennen allemaal een treurig verhaal uit onze kindertijd. Van die keer toen onze moeder wegkeek en er iets onuitwisbaars gebeurde. Die keer toen onze vader moe was en zijn geduld verloor. We herinneren het ons nu, jaren later, nog steeds. Op onze zwakste dagen hebben we er zelfs last van.

Na 21 maanden stadsdichterschap had het zwart-witdenken waar ik het al eerder over had, het soort denken dat de kwaliteiten van het potlood niet wil zien en bijgevolg ook de poëzie gemakkelijk van tafel veegt, mij verlamd. De verbeten, massamediale verkiezingsstrijd van een jaar eerder zat nog onder mijn huid. Als stadsdichter had ik al eenentwintig maanden lang in alle tinten grijs over de wereld geschreven.

Herhaaldelijk had ik me met mijn genuanceerde manier van schrijven Jonas in de buik van de walvis gevoeld, en ik merkte dat ik moe en cynisch was geworden. De poëzie in het algemeen, maar in het bijzonder mijn gedichten en doe maar meteen ook het ambt van stadsdichter, werden door sommigen als nutteloos beschouwd. De persoonlijke vragen die ik in mijn stadsgedichten tussen de regels stelde, werden geïnterpreteerd als de bedilzucht van de marionet van de burgemeester. Toen ik op 11 oktober 2007 het kruis van houtjes in de vitrine zag, met het poppetje van stap twee ernaast, was dat het eenvoudige beeld dat ik nodig had. Het was goed dat ik daar als 43-jarige het onbezorgde kind zag liggen dat ik ooit ben geweest, en het was goed om er de twintiger die ik ben geweest naast te zien liggen – de Holden Caulfield, de hoofdpersoon van het boek The Catcher in the Rye van J.D. Salinger, die ik door een moeilijke schoolloopbaan was geworden.

Ik besefte dat het vrolijke kind en de somberende twintiger nog allebei bestonden. Er was al die jaren alleen nog meer stof omheen gewikkeld, en dat was niet altijd omzichtig gebeurd. In het museum drong het ook tot me door dat ik in de afgelopen stadsdichterstijd sneller ‘Stop!’ had moeten schreeuwen. Of: ‘Let op!’ En ook: ‘Rot op!’

Ik begrijp dat de huidige houding tegenover cultuur, zoals Bas Heijne die uit de doeken doet in zijn essay Echt zien, veel mensen goed uitkomt. „Wanneer iets je niets zegt, hoef je er [...] geen kennis van te nemen. Het beleven van de wereld komt gelijk te staan aan de kennis van de wereld.” Als dat je instelling wordt, verklein je je kans op falen of fouten maken. Voor het falen en het fouten maken betalen we in onze cultuur een hoge prijs. In een column van Marjolijn Februari in NRC Handelsblad, januari 2012, las ik dat „anderen op stommiteiten betrappen een succesvolle techniek is waarmee je op ieder podium triomfen kunt vieren. Maar die snelle veroordeling en dat samenlevingbreed leedvermaak leidt tot grote maatschappelijke en economische kosten”.

Van „samenlevingbreed leedvermaak” willen we niet het slachtoffer zijn. Ik neem aan dat mensen zich daarom gemakkelijk aansluiten bij een slogan waarvoor ze niets hoeven in te zetten. Ze vinden ‘onbekend’ gevaarlijk gebied. Ze blijven ver af van de nuance van het potlood. Want hoort bij dat ding geen vlakgom en is corrigeren niet het synoniem van: stommeling, je hebt een fout gemaakt?

Bart Moeyaert is schrijver en dichter. Dit is de bekorte versie van de Frans Kellendonklezing die hij gisteren gaf aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

    • Bart Moeyaert