De kinderen vermaken zich, maar nu de ouders nog

Musea hebben de afgelopen jaren hard gewerkt om kindvriendelijker te worden. Maar daarbij zijn de ouders van die kinderen vergeten.

Rotterdam, 4 december 2012 Kinderen met ouders bezoeken tijdens de kerstvakantie museum Villa Zebra. Foto: Walter Herfst

Nederlandse musea worden steeds kindvriendelijker. Maar de musea hebben vastgesteld dat er nog een verwaarloosde groep is: de gezinnen. Of eigenlijk: de ouders. Die zijn het zat om bij museumbezoek met kroost verloren langs de zijlijn te staan, wachtend tot er iemand naar het toilet moet, dan wel honger heeft of wegloopt. Wat kunnen musea doen om de ouders te vermaken en te ontlasten?

Met deze vraag in het achterhoofd schreven Mijke de Hartog en Marie Anne Remmelink in opdracht van de Vereniging van samenwerkende centra en musea in wetenschap en techniek (VSC) de handleiding Een familievriendelijk museum. Gisteren presenteerden ze hun bevindingen en boekje in Naturalis in Leiden aan ruim honderd mensen uit de museumwereld.

De Hartog en Remmelink interviewden het afgelopen jaar gezinnen en mensen uit het museumwezen, in zowel Nederland als Groot-Brittannië. Groot-Brittannië is een lichtend voorbeeld wat betreft familievriendelijkheid in musea, menen ze. Zo is er het publieksinitiatief Kids in Museums, dat elk jaar één museum uitroept tot het meest familievriendelijke.

In Nederland is nooit expliciet onderzoek gedaan naar het wel en wee van families in musea. Hoeveel gezinnen per jaar naar welke musea gaan, is onbekend. Zo ook welk percentage ouders tijdens een bezoek echt te lijden heeft van verveling of stress. De Hartog is zelf moeder en spreekt uit ervaring. „Zodra je een museum binnenstapt, worden kinderen helemaal gepampered met speurtochten en allerlei kinderactiviteiten”, zegt ze. „Als ouder ben je puur facilitator. Je wordt niet aangesproken of uitgedaagd. Als er voorstellingen zijn, mag je achter in de zaal plaatsnemen.” Maar wat willen ouders of gezinnen dan?

De Hartog en Remmelink deelden deze verzamelgroep op in drie categorieën: gezinnen die vaak naar musea gaan, soms gaan en nooit gaan. De soms- en nooit-categorieën bleken hun spaarzame gezamenlijke vrije tijd vooral te willen besteden aan leuke dagjes uit, aan interactie. Dat brengt ze eerder naar een zwembad of pretpark dan naar een museum. „Er is hier winst te behalen door je als museum te richten op ‘gezins-edutainment’”, zegt Remmelink. „Bied activiteiten aan waarbij het gezin als geheel iets moet ondernemen of ontdekken. Dus niet dat zoon een kinderaudiotour volgt met een koptelefoon op en vader slechts wordt meegedeeld naar welke zaal ze nu dan moeten.” De Hartog: „Laat gezinnen iets doen wat niet ook thuis kan, en wat ook nieuw is voor de ouders. Zoals een echt dinosaurusbot vasthouden, oude kostuums aantrekken of een gotische boog of Drentse plaggenhut bouwen.”

Een familievriendelijk museum is vooral een soort moodboard van fragmenten met persoonlijke ervaringen om museummedewerkers in een gezinsvriendelijke gemoedstoestand te krijgen. Om het beste uit generatiekloven te halen, stelt het boekje onder meer: ‘Het oudste kind bepaalt de museumkeuze, het jongste kind bepaalt de museumbezoeksduur’. Misschien is het handig om het jongste kind op een bepaalde plek lang bezig te kunnen houden. Of ‘het proces van jas ophangen, naar de kassa en kaartjes kopen is vaak te onoverzichtelijk’. Ouders hebben meer energie om zelf van de tentoonstelling te genieten wanneer je faciliteiten in musea logisch ordent. „Waarom geen speciale familiebalies bij de ingang? Dat werkt in Groot-Brittannië ook heel goed. Je voelt je als gezin meteen welkom”, zegt De Hartog.

Ook moet snel duidelijk zijn dat een gezin niet het hele museum van vijf verdiepingen hoeft af te lopen, maar dat het kan kiezen voor één tentoonstelling. Remmelink: „Help ouders op weg, geef hun keuzes. Dan kunnen ze een volgende keer terugkomen voor een ander gedeelte.”