't Mannelijk chromosoom rot toch maar niet weg

Zo, dit is de genadeklap voor de theorie van het wegrottende Y-chromosoom! Dat zegt geneticus David Page, directeur van het Whitehead Institute in Cambridge, Boston, uitdagend in een persbericht. Page en zijn team lieten vorige week in Nature zien dat het menselijke Y-chromosoom in de laatste 25 miljoenen jaar nauwelijks genen heeft verloren. De onderzoekers vergeleken de menselijke Y met die van chimps en resusapen. Op een functioneel belangrijk gedeelte van het Y-chromosoom heeft de mens 19 genen, de chimp 14 en de resusaap 20.

Alleen mannen hebben een X- en een Y-chromosoom, dat cruciale informatie bevat voor de aanleg van zaadballen en zaadcelvorming; vrouwen hebben twee X-chromosomen. De geslachtschromosomen ontstonden vroeg in de evolutie van de zoogdieren, 160 miljoen jaar geleden. Op dat moment waren de X-en Y-chromosomen grotendeels gelijk aan elkaar. Uitgaande van het X-chromosoom nu moeten ze ieder ongeveer duizend genen hebben gehad. Omdat de genen op het Y-chromosoom kennelijk zo snel eroderen, in het functionele gebied van zo’n 600 naar 19, hebben genetici onder wie de Australische Jennifer Marshall Graves in 2002 al het einde van het Y-chromosoom voorspeld. Als het verval van genen in hetzelfde tempo door zou gaan zou er over 4,6 miljoen jaar geen Y meer over zijn, berekende zij.

Jennifer Hughes, onderzoeker in de groep van Page, legt per e-mail uit waarom haar baas zo fel is: „Wij denken dat het idee dat het Y-chromosoom verdwijnt geen enkele wetenschappelijke onderbouwing heeft, en desondanks blijft het maar weer opduiken in de wetenschappelijke literatuur en de populaire pers.” Volgens Hughes heeft haar team nubewijs dat het Y-chromosoom al minstens 25 miljoen jaar stabiel is. „Dit is een belangrijke aanwijzing dat Y helemaal niet weggaat.”

De Rotterdamse ontwikkelingsbioloog Anton Grootegoed van het Erasmus MC, expert op het gebied van geslachtschromosomen, ziet de strijd tussen de twee Jennifers geamuseerd aan. „Het idee van de lineaire erosie slaat nergens op, dat heb ik altijd al gevonden. Nu laten Page en zijn groep goed zien dat het meest dramatische verlies aan genen al heel vroeg na het ontstaan van het XY-paar moet hebben plaatsgevonden. Daarna veranderde het Y-chromosoom verschrikkelijk weinig.”