Onwetend obees

Toen ik puber was, waren mijn tantes in Pakistan altijd diep verontwaardigd over mijn gewicht. „Waarom ben je niet dik?!”, vroegen ze boos. Ze vonden me te tenger, helemaal niet zoals het hoorde. En zoals het hoorde werd ons in reclames getoond. Daarin figureerden mollige of ronduit dikke kinderen, maar nooit magere. Verreweg de meeste Pakistaanse kinderen waren mager, maar men vond dik mooi.

Een synoniem voor dik in het Urdu is sehet mand oftewel ‘gezond.’ Men vond dik dan ook gezond. Dik zijn had status. Want als je rijk was had je goed te eten, en dat verschil tussen arm en rijk moest iedereen laten zien. Ik herinner me een vriendin van mijn moeder die een keer opschepte dat ze per maand een ganse kilo aankwam. Wat vond ze zichzelf mooi, modern en gezond! Zoals ook een achteroom die opschepte dat hij wel vijf kilo vlees per dag verorberde!

Onwetend, niet? Maar Nederland begint qua lichaamsomvang steeds meer op het vroegere Pakistan te lijken. Ik schrik ervan als ik in de collegebanken mijn veel te dikke, soms obese studenten bezie. Van vorige lente is mij het beeld bijgebleven van een meisje, niet ouder dan tien, dat in de ijssalon een kolossale portie ijs met een torenhoge dot slagroom verorberde. Wat haar zielig maakte was dat zij moederziel alleen was, en vast als troost het zoet tot zich nam. Zij leerde zichzelf alvast een verontrustend patroon aan: eten als je je eenzaam voelt.

De helft van de kinderen en de volwassenen in Nederland is te dik.

En de meesten zijn dat omdat ze onwetend zijn over voedsel.

Dat is een andere onwetendheid dan die ik kende in Pakistan van twintig jaar terug. Daar streefde men bewust naar dik-zijn. Dat gaf immers status. Hier in het Westen is gewichtstoename eerder onvrijwillig.

Gewone mensen weten eigenlijk niet wat ze in hun mond stoppen. Erger nog, ook veel mensen in de horeca en de levensmiddelenindustrie hebben vaak geen idee. Bijvoorbeeld de kok die een vegetarische vriendin aanraadde om kip te eten: want kip eet maïs, dus kip is vegetarisch. Of het meisje van de supermarkt waar ik eens bij de broodafdeling om zuurdesembrood vroeg, waarop ze me niet-begrijpend aankeek en vroeg: „Wat is duurdesem brood?” Of de jongen van de buurtwinkel die ik, wegens mijn melksuikerallergie, lactose-vrije producten vroeg en mij naar de glutenvrije producten verwees, want, tja, die producten hebben ook te maken met allergie.

Onwetendheid is overal. Het is geen wonder dat de mensheid het spoor bijster is over wat en hoeveel ze eigenlijk mag eten.

    • Naema Tahir