Het diepe wantrouwen van Mitt Romney

Michael Kranish en Scott Helman: The Real Romney. Harper Collins, 336 blz. € 26,-

Je komt er maar niet achter. Uren kun je naar de man kijken, hem horen spreken, of luisteren, en nog weet je het niet. Wat beweegt Mitt Romney ten diepste? Zelf is de koploper in de race om de Republikeinse presidentskandidatuur ronduit zuinig met mededelingen over zijn innerlijk leven. Hij vertelt wel eens over de liedjes die hij vroeger zong, of hoe hij zijn vrouw Ann onhandig probeerde te versieren, maar ondanks zijn vele optredens blijft het gissen naar zijn persoonlijkheid.

Juist daarom is The Real Romney van de journalisten Michael Kranish en Scott Helman een belangrijk boek. Ze werken voor The Boston Globe en volgen Romney al op de voet sinds hij gouverneur was in hun staat, Massachusetts. Ze ontrafelen het mysterie-Romney aan de hand van diens turbulente familiegeschiedenis. De Britse familie Romney hoorde bij de eerste leden van de mormoonse kerk. Zijn voorouders stichtten gemeenschappen in de Verenigde Staten, vluchtten naar Mexico toen polygamie verboden werd, en zijn vader (die maar één vrouw had) vluchtte terug naar Amerika tijdens de Mexicaanse revolutie.

De beschrijvingen blijven zakelijk, aan psychologiseren doen de auteurs niet, maar twee dingen keren telkens terug: zijn vader George, en Mitts diepe gevoel een buitenstaander te zijn. Eerst de vader. George Romney werd geadoreerd door zijn zoon Mitt, een nakomer in een gezin van vier kinderen. George was een grote, imponerende man die een centrale rol in de mormoonse kerk speelde en een succesvol zakenman en politicus werd. Hij werd gouverneur van Michigan en probeerde de Republikeinse presidentskandidaat te worden in 1964. Dat werd een van zijn weinige grote mislukkingen. George zou nu een liberale Republikein heten: hij kwam op voor burgerrechten, minderheden en vakbonden.

Mitt keek zijn hele jeugd op tegen zijn vader. Hij leek hem in alles te willen overtreffen, of in ieder geval te evenaren. Zijn bezoekjes aan zijn vriendin Ann vanaf Stanford hield Mitt Romney geheim voor zijn vader, omdat hij bang was voor kritiek, of afwijzing. Waar George goed in was, probeerde Mitt hem te volgen. Nadat hij in 2008 de voorverkiezingen had verloren, nam hij zich voor in 2012 beter terug te komen.

Mitt Romney kreeg van thuis een diep wantrouwen tegen de buitenwereld mee. De Romneys behoren tot een kleine (maar groeiende) kerk, en intolerantie en vervolging heeft de gemeenschap getekend. Mitt Romney voelde zich nooit helemaal op zijn gemak in de buitenwereld. Niet op Stanford, dat tijdens zijn studie een ruk naar links maakte, niet in de zakenwereld, of, zoals nu, met kiezers.

Romney praat niet graag over zijn geloof. Het lijkt alsof het hem weinig interesseert. In werkelijkheid is het geloof alles voor hem, en schermt hij het af voor de buitenwereld. Want die zal het toch nooit begrijpen.

    • Guus Valk