Herkomst van het woord fiets inderdaad gekraakt?

Er is maar zelden media-aandacht voor de herkomst van woorden, maar vorige week was het opeens raak. Aanleiding: de publicatie van een wetenschappelijk artikel door twee Gentse hoogleraren, Gunnar De Boel en Luc De Grauwe, over de geschiedenis van het woord fiets. In dat artikel stellen zij voor dat fiets oorspronkelijk uit het Duits komt. Het zou de verbastering zijn van het eerste deel van een schertsende samenstelling, Vizepferd, dat ‘surrogaatpaard’ of ‘plaatsvervangend paard’ betekent.

De Boel en De Grauwe stellen deze herkomstverklaring voor als een hypothese, maar in de media verdween die nuance. Op radio, tv (onder andere bij Pauw & Witteman), in allerlei kranten, tijdschriften, nieuwsbrieven en op websites werd de suggestie gewekt dat de herkomst van het woord fiets eindelijk was gekraakt. Het is de vraag of dat werkelijk zo is.

Het artikel van De Boel en De Grauwe telt ruim 8.000 woorden, dertien keer zoveel als deze rubriek. Ik kan dus onmogelijk op al hun argumenten ingaan, maar wel op de kern. Ik heb overigens al eerder over deze kwestie geschreven, namelijk in 1997 in een serie op deze pagina (voor de boekversie, gratis te downloaden, zie ewoudsanders.nl).

De met trappers aangedreven fiets is in 1867 door twee Franse wagenmakers gepresenteerd tijdens de Wereldtentoonstelling in Parijs. Zij noemden hun uitvinding vélocipède. Al sinds 1869 werd gediscussieerd over een Nederlands alternatief voor dit moeilijke Franse woord. Het woord fiets is voor het eerst op schrift aangetroffen in de Arnhemsche Courant van 28 april 1886. Niet taalgeleerden hebben een beter woord voor vélocipède bedacht, schreef de krant: „Neen, zij, die de taal maken, hebben de vélocipède viets gedoopt en dat woord klinkt en staat.” In juni 1886 schreef de voorzitter van de ANWB dat hij het woord fiets al in 1871 in Leeuwarden had gehoord en iemand anders zei het uit 1870 te kennen, uit Deventer of Apeldoorn.

Kort samengevat: de vélocipède met trappers is uitgevonden in 1867, tijdgenoten herinnerden zich het woord fiets vanaf 1870 of 1871, terwijl het in 1886 voor het eerst op schrift is gesteld.

Volgens De Boel en De Grauwe zou fiets uit het Duits zijn overgenomen, als restant van Vizepferd. Dit zou dus tussen 1867 en 1870 moeten zijn gebeurd, of uiterlijk in 1886. Kern van hun betoog: vize (van het Latijnse vice voor ‘plaatsvervangend’) wordt in het Duits als fiets uitgesproken en we vinden het in allerlei schertsvormingen, bijvoorbeeld Vizebein voor ‘houten been’.

Hoe vaak hebben De Boel en De Grauwe Vizepferd, de hoofdpilaar onder hun theorie, in de betekenis ‘rijwiel’ aangetroffen? Precies nul keer. Zij veronderstellen slechts dat het moet hebben bestaan. Wel vonden ze in Wipperfürth, 80 km van de Nederlandse grens, dat fits of vits voor ‘fiets’ is gebruikt. „Ergens, misschien lang, vóór 1931.”

Was Wipperfürth tussen 1869 en 1886 soms het centrum van de Duitse Fahrrad-industrie, vonden die fietsen gretig aftrek in Nederland zodat het woord fits, waar dit ook vandaan mag komen, mee kon liften? Nee. Is de nooit in het Duits aangetroffen woordvorm Vizepferd wel in verschillende stadia van ontbinding in het Nederlands aangetroffen? Ook niet.

Wel noemde men in Weert in Limburg de vélocipède in 1869 schertsend Venloosch pêrdje (paardje) omdat de eerste vélocipède toevallig uit Venlo was komen „aanrollen”, maar dat bewijst slechts dat het rijwiel met het paard werd geassocieerd. Dezelfde voor de hand liggende associatie leverde stalen ros op, dat we vanaf 1886 aantreffen.

Ik doe een voorspelling: er komt een nieuw, lang wetenschappelijk artikel over het woord fiets waar nauwelijks media-aandacht voor zal zijn. Daarin schrijven een of meer dialectologen dat de hypothese van De Boel en De Grauwe origineel is, maar totaal niet overtuigend.