Gemodder op de energiemarkt

De chaos achter de schermen van de Nederlandse energiemarkt duurt voort. De consument merkt daar ogenschijnlijk niets van. Die neemt, als hij dat wil, gewoon een ander leverancier, zoals dat met meer ‘producten’ kan die vroeger in het collectieve domein verzorgd werden – een ziektekostenpolis, bijvoorbeeld.

De verkoop van energie is inzet van open concurrentie. Maar in het transport van de energie naar de voordeur heersen gesloten regionale monopolisten; de netbeheerders. De wet dwong deze netbeheerders om uiterlijk 1 januari 2011 volledig zelfstandig te zijn. Zij moesten dan zijn afgesplitst van de verkoopbedrijven. Van bedrijven als Essent, Nuon, Eneco en Delta, om de vier grootste te noemen. Zij waren toentertijd ieder in handen van lokale en provinciale overheden. De zogeheten splitsingswet liep vooruit op Europese regelgeving, die ervoor moet zorgen dat energieleveranciers bij hun verkoopactiviteiten geen profijt hebben van het feit dat zij ook eigenaar zijn van de infrastructuur.

Essent en Nuon hebben aan de splitsingswet voldaan en hun commerciële activiteiten verkocht aan buitenlandse concurrenten. Essent, Eneco en Delta zijn naar de rechter gestapt. Bij het Haagse gerechtshof hebben zij in 2010 gelijk gekregen. Sindsdien willen Eneco en Delta met een beroep op de rechter en in afwachting van cassatie bij de Hoge Raad hun bedrijf niet splitsen. Afgelopen vrijdag heeft de Hoge Raad het huidige ongelijke speelveld intact gelaten. Het rechtscollege wil eerst enkele vragen beantwoord zien door het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Door de uitspraak duurt de huidige onbevredigende situatie voort, misschien nog wel een jaar of twee. De stabiele inkomsten uit de energie-infrastructuur geven de ongesplitste ondernemingen in de tussentijd een voordeel. Het is maar de vraag waar die voordelen terechtkomen: bij de consumenten of bij de eigenaren, in casu lokale en provinciale overheden. Onbevredigend is ook dat de wetgever zoveel gaten heeft laten vallen dat de aantastingsprocedures succes hebben.

De tweeslachtigheid op de Nederlandse energiemarkt is inmiddels ook een Europees fenomeen. Grote energieconcerns zijn uit financiële noodzaak begonnen met de verkoop van hun netwerkbedrijven om met de opbrengst hun schuldenlast te verlagen. Zo ontstaan geen gelijkwaardige concurrentieverhoudingen, niet nationaal, niet internationaal. De verhoudingen zijn zelfs ingewikkelder geworden doordat een leverancier als Gazprom met de Russische staat als grootaandeelhouder ongesplitst op de Europese markt actief is.

In het proces van de scheiding van infrastructuur en commerciële leveranciers zijn Nederland én Europa vastgelopen in de modder; de slechtst denkbare uitgangspositie om vooruitgang te boeken.