Eigen groen eerst

Het milieu is bij conservatieven in betere handen dan bij linkse milieuactivisten en bureaucraten, betoogt de Britse filosoof Roger Scruton. Heeft hij gelijk?

Maartje Somers

Boekrecensent

Nieuwleusen 8-8-2007 de heer de Boer heeft bramen geplukt langs de weg, een plastic zak en een emmer vol. vruchten en oogst zijn vroeg dit jaar. foto: Herman Engbers Herman Engbers

Hoe zou het toch met ‘Groen Rechts’ gaan? In de zomer van 2008 leek het klimaat even belangrijk tijdens de verkiezingscampagne, zelfs voor de VVD. Mark Rutte schreef er nog een pamflet over. Maar toen kwam de crisis en inmiddels hoor je zelfs GroenLinks niet meer over groen.

Nu betreedt de Britse filosoof Roger Scruton met enig aplomb dit braakliggende terrein. Met Groene filosofie, verstandig nadenken over de planeet wil hij het thema milieu voor rechts claimen. De ‘paniekzaaiers’ en ‘de bureaucraten’ – linkse milieuorganisaties en machtige sociaal-democraten – zijn er volgens hem niet in geslaagd iets te doen tegen de ecologische Verelendung, van zielloos platteland en plasticvervuiling tot een almaar stijgende CO2-uitstoot en een achteruithollende biodiversiteit.

Verwondering wekt dat standpunt niet, want al sinds hij in mei ’68 verzeild raakte in de rellen in Parijs, speelt Scruton met verve de rol van de klassieke conservatief. In een stroom boeken beleed hij zijn liefde voor vossenjacht, hogere cultuur en particulier initiatief, en zijn afkeer van alles wat riekt naar regulering en egalitarisme. Ditmaal zijn het de ‘ecokruisvaarders’ die, zo schrijft hij, de jager in hem hebben wakker gemaakt. En het werd inderdaad tijd voor een stevig rechts boek over het milieu.

Aangezien het woord conservatisme is afgeleid van het Latijnse conservare, dat ‘behouden, bewaren’ betekent, hebben hedendaagse conservatieven al snel een milieuprobleem. Want wát moet er precies behouden worden? Conservatieven omhelzen vaak consumptie en moeten niets hebben van drastische energiebesparingsregimes. Dit leidt dan tot creatieve oplossingen. Beginnende conservatieven halen hun zwemdiploma A met het publiekelijk belijden van politiek incorrecte klimaatscepsis. Die argwanende houding jegens klimaatwetenschap paren ze dan probleemloos aan een onbegrensd vertrouwen in kernenergie en atoomwetenschap. Selectieve scepsis, is dat wel genoemd.

Als het boek van Scruton iets doet, dan is het zowel de sterke punten als de zwakheden van milieuconservatisme etaleren. Scruton heeft bijvoorbeeld groot gelijk als hij de bedroevende resultaten van mondiaal milieubeleid opsomt: tegenover de single issue-successen, zoals het herstellen van de ozonlaag, staat de treurige staat van de klimaatonderhandelingen en de volstrekt niet dwingende, voor corruptie vatbare handel in uitstootrechten.

Ook weet Scruton snel door te dringen tot de kern van milieuproblematiek: het gebrek aan motivatie van mensen om zich aan het milieu iets gelegen te laten liggen. Dat voelt te vaak als een offer; het resultaat komt ten goede aan mensen elders, aan ongeborenen of dieren. En dan de onzekerheidsfactor. Waarom een ramp vermijden die misschien niet komt? Waarom offers brengen voor een kikker in het regenwoud? Ons reptielenbrein wil er niet aan.

Hier nu heeft Scruton iets op gevonden. De mens komt alleen in beweging, betoogt hij, als het gaat om zijn eigen plek, zijn eigen omgeving, zijn eigen grond. Oikofilie noemt Scruton deze bodemliefde met een Grieks woord en hij gaat maar niet in op de historisch beruchte kanten ervan. Wel beschrijft hij omstandig hoe Britten al vanaf 1600 hebben gestreden voor het behoud van hun bossen, hun heggen en de kleinschaligheid van hun landschap.

Inderdaad is oikofilie een sterk sentiment – we kennen het niet voor niets als Not In My Backyard. Voor Scruton staat het als een paal boven water dat de uitkomst van lokale deliberaties altijd gunstiger is voor het milieu dan beslissingen van bovenaf, omdat in tradities respect voor het lokale natuurlijke evenwicht besloten ligt. Bedreigde Noorse en Japanse walvissen kunnen dit standpunt helaas niet onderschrijven. In Nederland verzette men zich tegen de vuile kolencentrale in de Eemshaven net zo hard als tegen de schone, maar landschapsvervuilende windmolens in het Markermeer. Beide worden door Scruton gehaat – windmolens noemt hij met Lenins definitie van het communisme: ‘Sovjetmacht plus electrificatie’ – maar érgens zullen energiecentrales toch moeten staan.

Scruton heeft er ook vertrouwen in dat gemeenschappen altijd voor traditionele oplossingen kiezen – de zijne. Een passage over het landschap eindigt met een parabel over twee buren, een met wanstaltige kerstverlichting en luide Jingle Bells-muziek in zijn tuin, de ander met een ingetogen smaak en een liefde voor Mozart. Scruton meent dat zíjn soort schoonheid de ‘natuurlijke, esthetische schoonheid’ is, die onder oikofielen altijd zal winnen. Je kunt Scruton niet links noemen, maar in de maakbaarheid van de mens gelooft hij hier toch wel.

Daarbij is niet duidelijk waar precies de grens ligt tussen een lovenswaardig ‘klein peloton’ van boze burgers en een verwerpelijke ‘oikofobe’ ngo die overal windmolens wil neerplempen zonder respect voor lokale omstandigheden. De Britse National Trust, bijvoorbeeld, is voor hem een ‘burgerorganisatie’ – maar wel een met 2 miljoen leden.

Als je de verplichte uithalen tegen de linksmens wegdenkt – en die nemen af in de loop van het boek – valt op Scruton niet iets conservatief, rechts of links bepleit, maar een beschrijving geeft van de status quo. Er is een algehele politieke en maatschappelijke inertie als het gaat om het terugdringen van klimaatverandering of het behoud van biodiversiteit via internationale verdragen. Maar ondertussen is er ook een interessant gewemel en gewriemel van kleine, duurzame particuliere initiatieven. Scruton zingt de lof van boerenmarkten en lokale initiatieven voor energieopwekking, zaken die in de regel door linkse ‘oikofielen’ worden toegejuicht. Lees Scrutons slothoofdstuk met adviezen – eet geen verpakte etenswaren, reis niet te veel, consumeer matig – en je beseft: hij kwalificeert heel best als geitenwollen sok.

Natuurlijk kan het niet bij lokale oplossingen blijven. Afkerig als hij is van internationale regelgeving, omhelst Scruton slechts één basisprincipe van regulering: de vervuiler betaalt, en de nationale staat moet zorgen dat dat ook gebeurt. Een afgedwongen fikse CO2-belasting, schrijft hij terecht, zou schadelijke en verspillende praktijken snel uitbannen. Hij deelt dit standpunt overigens met veel ‘paniekzaaiende klimaatactivisten’, tot en met Al Gore.

Scruton trekt flink van leer tegen de bureaucratische overheden die kozen voor emissiehandel. Maar wat hij er tegenoverstelt, is conservatief wensdenken. Goed milieubeleid heeft, schrijft hij, een sterke overheid en rechterlijke macht nodig, zeker als je niet elk risico wil uitsluiten, zoals ‘bureaucraten’ doen (niet bouwen, stel dat er ergens een korenwolf zit). Maar kan een overheid tegelijk sterk en minimaal zijn? En hoe kunnen staten zich zonder internationaal raamwerk verweren tegen milieuschade van bij uitstek ‘oikofobe’ multinationals?

Het wreekt zich dat Scruton de wereld indeelt in vrienden en vijanden. De rol van ‘Big Oil, Big Food, Big Energy’ die zich met alle mogelijke middelen teweerstellen tegen regelgeving, komt nauwelijks ter sprake omdat de selectieve scepsis weer opspeelt. Een conservatief schopt alleen tegen links, niet tegen ondernemerschap, Greenpeace is schadelijker voor het milieu dan Shell. Pas in de slothoofdstukken trekt Scruton zelf zó van leer tegen voedingsindustrie en agribusiness dat een macrobioot het hem niet zou verbeteren. Het echte probleem is intussen niet het gewetenloze bedrijfsleven of de slappe overheid, maar de verstrengeling van die twee. Helaas valt het woord lobby pas op bladzijde 217.

Belanden we tot slot bij het klimaat. Scruton kun je kenschetsen als een gematigd scepticus: hij erkent de opwarming van de aarde als wetenschappelijk feit, maar houdt twijfel over het menselijk aandeel daarin. Mocht de grond ons toch te heet onder de voeten worden, dan zouden de Verenigde Staten het voortouw moeten nemen bij geo-engineering, het op wereldschaal experimenteren met de planeet door bijvoorbeeld ijzervijlsel over de oceanen te strooien om de CO2-uitstoot tegen te gaan. Hoe een dergelijke roekeloosheid te rijmen valt met conservatisme of oikofilie is me een raadsel.

We zitten met een milieu, een klimaat- en een economische crisis, alle mondiaal. Niet door rücksichtslose linkse technocratie en al evenmin door liberaal-rechts-conservatief laisser faire, maar doordat het een op het ander volgde. Tot wat bescheidenheid gedwongen kijken we voor hervorming naar oudere maatschappelijke structuren – regionaal, lokaal, op menselijke maat. Progressie ziet er dan soms uit als conservatisme en omgekeerd. De tegenstelling is daarom niet die tussen links en rechts, de tegenstelling is die tussen mensen die belangrijke vraagstukken nodeloos politiseren omdat ze graag hun rare oude oorlog willen blijven voeren, en mensen die daar schoon genoeg van hebben.

Roger Scruton: Groene filosofie. Verstandig nadenken over onze planeet. Vertaald door Frans van Zetten. Nieuw Amsterdam, 320 blz. € 24,95

    • Maartje Somers